
Tussen de woordjes al en nog ligt een mensenleven. Kan ie dat al? Tsjonge, tsjonge wat een kerel. En wat kan hij als baby al? Een poging doen om iets in de box te pakken of om zich om te keren van rug op buik na verschillende mislukte pogingen.
Heeft de baby al een tandje? Gefeliciteerd. Kan hij al kruipen, zitten, staan, lopen, weglopen.. Al een boterham eten? Al tellen, fietsen, rekenen, schrijven, een spreekbeurt houden, een doelpunt maken. Geweldig. Heerlijk al die als. We staan verwonderd over elke vordering, moedigen aan, groeien is bloeien, op naar prepuberteit en puberteit in de tijd. Ja, hij studeert al. Ja, ze trouwen al. Ze krijgen al hun eerste kindje. Alleen een puber zal zich soms verzetten tegen dat ge-al. Zo van :”Ja, ik ben al veertien en mag dus later thuiskomen…” Moeilijker te verteren is het woordje nog. Vraag het een gehandicapte, een oudere. Dat nog vinden ze een akelig woordje. Enkele voorbeelden:– Zo, was je zelf nog af.– Ga je nog alleen op vakantie?– Kleed je jezelf nog uit en aan?– Rij je nog auto? Waarbij de vrager de oudere aankijkt met een blik van: ik hoop je niet tegen te komen als spookrijder…– Kun je nog een beetje omgaan met die nieuwe computers?– Lukt het nog met de rollater? De vragensteller kijkt daarbij wat zielig en je leest op het gezicht: nou, hier volgt gauw een heupoperatie..– Wat, ga jij nog met de bus en de trein? De vraag wordt vergezeld met een blik waarin te lezen is: die is rijp voor een zakkenroller.– Kun je nog naar de kerk? En natuurlijk zit in al die vragen meeleven, bezorgdheid. Maar je kunt toch ook vragen:– Kies je voor de bus en de trein, of zal ik u ophalen?– Wat een steun heb je aan zo’n rollater.– Was jij af of ik?– Ik vind die computers soms ondingen? En jij, u? Mijn moeder had een vreselijke hekel aan de verkleinwoorden die sommige verpleegkundigen hanteren: omaatje, mevrouwtje. Een gehandicapte, een super-oude is gewoon een mens, een mevrouw, een oma, een over-oma. Mijn moeder was een Friezin en wilde zo lang mogelijk alles zelf doen. Dat recht had ze. Die verkleinwoorden liggen in dezelfde gevoelssfeer als het nog-gen. Dat nog-gen verraadt een zekere minachting voor de persoon die verzorgd moet worden, alsof je minder mens bent als je veel hulp nodig hebt. Het kan ook anders.“Hoe vind je mijn nieuwe racefiets?”, zei iemand met twinkelende oogjes tegen me in het verzorgingshuis? Het gesprek was meteen open en vrolijk .Humor lost vaak meer op dan al het nog-gen. Nu heb ik nog wel een vraag: leest u nog? Dat valt me al met al niet tegen. © lenze l. bouwers

