Het Vechtdal, dat is ware poëzie,
zeiden de toerist, fietser, wandelaar,
maar wáár is pas realistisch puur waar
in de verbeelding door een kunstenaar.
Zij zochten naar de regels,woorden, zinnen
en moesten wel persoonlijk – sterk gedreven
door de weidsheid, de waterloop – beginnen
aan de taak, de klanken van hun beleven.
Maar haakten af. Gezeten aan de Vecht,
bij een luwe vissersstek, aan de kaden,
in de schaduw van een eikenboom, recht
tegenover molen of dorpskerk,raadden
ze naar eenheid tussen eigen gevoel
en sfeer en denken, maar vonden tastend
de woorden niet.
Wat zou het verrassend
zijn als borden poëzie met het doel
hun eten te geven er zouden staan:
ga zitten, lees, voel je één met natuur
en zon en wolken, wind en het uur
van herkenning. Om dan verder te gaan.
ÓLenze L. Bouwers

