Verhalen van de dames Kris

Ze woonden in zo’n soort huisje aan de Koelmansstraat in Hoonhorst.


De gezusters Kris, Trees, Mina en Dina, waren de dochters van Christaan Lauers, geboren te St. Oedenrode op 15-12-1863 en Maria Blikman, geboren te Hellendoorn op 22-9-1863. Het echt paar is niet getrouwd in Heino, Dalfsen of Hellendoorn; in dit gezin zijn 5 kinderen geboren.

De vader was bij de geboorte van de kinderen scharenslijper van beroep. De ouders waren bij de geboorte van hun eerste kind officieel nog woonachtig in St. Oedenrode en zijn vermoedelijk daar ook getrouwd.
De kinderen waren:
1 Jan geboren 17-3-1897, overleden 29-4-1904 te Dalfsen, 6 jaar oud
2 Theresia geboren 13-9-1899, overleden 2-2-1974 te Hoonhorst, 74 jaar oud
3 Mina geboren 17-6-1902, overleden 11-6-1975 te Hoonhorst, bijna 73 jaar
4 Anthonie Johannes geboren 27-10-1904, later getrouwd en uit Hoonhorst weggetrokken
5 Dina geboren 17-3-1907, overleden 5-6-1998 te Raalte en op 10-6-1998 begraven te Hoonhorst, 91 jaar oud De vier jongste kinderen zijn allen geboren in de buurtschap Lenthe, onder de parochie van Hoonhorst, waar zij ook gedoopt zijn. Zij zijn geboren in een woonwagen die stond aan de rand van een bos aan de Marsweg. Allen hadden de bijnaam Kris, afgeleid van de voornaam van de vader, Christiaan of Chris. Zij hebben een tijdje ingeschreven gestaan in de gemeente Zwollerkerspel, van december 1924 tot maart 1926, wat er op zou kunnen wijzen dat zij hun woonwagen een periode elders hadden staan.
De ouders zijn te Hoonhorst overleden en ook begraven. Hun steen is door achterstallig onderhoud niet meer toonbaar, maar ligt nog steeds op het kerkhof, verzonken onder het gras. De drie zusters zijn bij elkaar gebleven en zijn eind jaren �20 als huishoudsters ingetrokken bij de bejaarde landbouwer Holterman, die toen woonachtig was aan de Koelmansweg op zijn katerstede van bijna 25 are, �de Peggen�, waar hij in de directe omgeving een stuk grond had gepacht van ca. 1 ha., waarop hij een koe had lopen. Later zag je hem met Mina dagelijks naar de wei lopen, waar Mina de koe molk en Holterman met een twijg de vliegen bij de koe weg stond te jagen, zodat zij rustig bleef staan en Mina ongestoord kon melken. Later zijn de zusters op een of andere wijze in het bezit gekomen van de katerstede en zijn daar, op de laatste jaren van Dina na, hun verdere leven blijven wonen. De zusters hadden een verdeling gemaakt van de werkzaamheden; Trees trok in de directe omgeving rond om her en der spullen te verzamelen en Mina trok in de wijde omgeving rond met hetzelfde doel. Dina bleef thuis en beredderde daar haar bedoeninkje. Daardoor was zij ietwat vervreemd van mens en omgeving, wat haar jaren later parten heeft gespeeld. Bij hun katerstede hebben de dames in de loop der jaren een enorm aantal onderkomens gebouwd van datgene wat zij onderweg of bij anderen tegenkwamen, en dat beliep toch al gauw zo�n 140 m2. In die ruimten behielden zij wat geiten en schapen en een bok. Die bok had een luizenleven met een harem tot zijn beschikking en soms mocht hij in de buurt ook nog eens logeren. Dat had tot gevolg dat de geiten jongen kregen, waarbij de hulp van de buurman werd ingeroepen om ervoor te zorgen dat de kleine geitjes goed ter wereld kwamen. De buurman, Gerrit Jan van Lenthe, werd al een paar dagen van te voren gewaarschuwd dat er weer een geboorte stond aan te komen. Meestal werd hij er midden in de nacht door Mina voor uit bed geklopt. Zij liep vervolgens terug tot halverwege, waar zij omkeek of de buurman wel kwam. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Die jonge geitjes werden vervolgens groot gebracht tot zij konden worden verkocht, bijvoorbeeld op de veemarkt in Zwolle. Diezelfde buurman ploegde ook jaarlijks hun stukje bouwgrond om en kreeg als beloning, behalve een plaatsje in de hemel, een kop koffie met voetbad, met daarin geitenmelk, welke dan naar goed gebruik met een knie op de grond, naast het bouwland, opgedronken kon worden. Dat was goed bedoeld, ware het niet dat die buurman gruwde van geitenmelk; hij kon die koffie met de beste wil van de wereld niet door zijn keel krijgen. Hij moest dan ook steeds een of ander smoesje verzinnen om de aandacht van de dames af te leiden, zodat hij het kopje in ��n gooi kon legen richting bouwland. Een tweede kopje kon hij altijd krijgen, maar dat weigerde hij beleefd. De verkoop van jongvee deden de dames overigens niet zelf. Daarvoor hadden zij regelmatig voor een korte of langere periode mannen bij hen inwonen; sommigen zelfs enkele jaren. Dat had een tweeledig doel: zij waren een beetje beschermd en zij hadden iemand die voor hen het jongvee verkocht. De inwonende kostgangers hadden er zelf ook belang bij. Het waren over het algemeen kleine handelaartjes die daardoor zelf ook een onderkomen hadden voor hun eigen levende have, van kippen tot een pony toe. Die pony hadden de dames een beetje afgericht en soms danste dat beest op verzoek alsof het er een circus was. Als de kostganger van dat moment ook nog op zijn harmonica speelde, was dat wel zo gezellig. De veiligheid van de zusters werd niet enkel gewaarborgd door de kostganger, maar ook door een vervaarlijke hond en het bezig van een wandelstok. Ook Halma, de politieagent van Hoonhorst, hield een oogje in het zeil. Mochten er dan toch nog wel eens kinderen, maar soms ook volwassenen, die over de straat gingen, riepen: �Mina Kris ruikt naar pis�, enkel omdat het rijmde, dan kon het zomaar gebeuren dat de pispot met inhoud iemand achterna gegooid werd. Waren de jongeren die vlak bij op elkaar wachtten om gezamenlijk verder te trekken naar uitgaansgelegenheden, dan kwam het ook voor dat Mina met haar vervaarlijke hond plotseling uit het niets naast hen opdook. Mina ging met haar fiets met daar achteraan gebonden een melkkarretje, of wat daarvoor door moest gaan, de wijde omgeving af en kwam meestal �s avonds laat terug. Dat karretje was vaak afgeladen vol met allerlei zaken en spullen waar zij iets in zag. De randen waren opgehoogd met schotten om toch maar zoveel mogelijk in en op te kunnen laden. Zij vroeg bij boeren om melk en als dat niet kon om karnemelk voor haar geiten en schapen. Zij had daarvoor een klein kannetje bij zich en vrijwel iedere boer deed dat kannetje vol. Vervolgens liep zij terug naar de weg waar haar fiets stond en goot de inhoud over in een grote melkbus, om vervolgens bij de volgende boer hetzelfde te vragen. Ook vroeg zij vaak of zij een jutezak vol hooi vol mocht stoppen, maar dat kon ook stro of haver zijn, en dat werd meestal ook toegestaan. Maar die zak ging zo vol dat het er meestal uitpuilde of de zak scheurde.
Zij wist precies waar de dorsmachine bezig was; gedorste rogge en haver scharrelde zij op die manier ook op. Boeren die pas hadden geslacht konden door haar met een bezoek worden vereerd en meestal viel er wel iets voor haar af, ook al omdat zij altijd vriendelijk was. Als zij in Dalfsen was, kwam zij bij de plaatselijke bakker achterom met de vraag of hij misschien nog ene half pond koekjes had voor haar zus die jarig was, waarbij de bakker zich afvroeg hoeveel zusters zij welk niet had. Dat alles ging gepaard met de wens: Dat de Lieve Heer voor de goede gever maar een mooi plaatsje in de hemel mocht hebben. Een van hun kostgangers lustte wel graag een borreltje, maar dat vonden de dames wel wat aan de dure kant. Vindingrijk als zij waren kochten zij een halve liter jenever in een literfles en lengden dat onderweg aan met water uit de pomp.
Rondom het huis stonden, behalve allerlei hokken en hokjes, afrasteringen en wat dies meer zij, ook volop bosschages, vooral vlierstruiken en er lag een mestvaalt direct aan de weg. Het is bijna onvoorstelbaar hoe veel bij elkaar verzamelde rommel er op zo�n klein stukje grond lag of stond. Op het erf stond ook nog een hooibergje met daarnaast een schuurtje met een golfplatendak. Dat schuurtje werd gebruikt om �s zomers in te huizen en om er de maaltijden te nuttigen. Dikwijls speelde de dan aanwezige kostganger onder het golfplaten dak zijn deuntjes, tot groot genoegen van de dames. Dat genoegen werd nogal eens verstoord doordat een knecht van de achterbuurman, die dan nog aan het werk was op het aardappelland, wel eens een aardappel of kluit zand over de golfplaten gooide. Dat bracht de gemoederen hevig in beweging en politieagent Halma moest wel eens handelend optreden. De zusters waren niet versmeerd, maar zagen er voor hun doen behoorlijk netjes uit. Zolang de drie zusters bij elkaar bleven, hebben zij zich goed tot redelijk kunnen redden. De plaatselijke kerk en Caritas deden wat zij voor hen konden doen en ook de directe omgeving hielp daar waar nodig was; de zusters waren daar dankbaar voor. De eerste die overleed was Trees maar toen ook Mina overleed was het voor Dina, die immers altijd thuis was geweest, moeilijk om het hoofd boven water te houden. Er is toen besloten voor haar een plek te zoeken in een bejaardenhuis en hun huisje, gelegen aan de Koelmansstraat 69 te Hoonhorst, gemeente Dalfsen, te verkopen. Het huisje is ingezet op 23 juni 1975 en een week later publiekelijk verkocht aan de familie Willemsen. Die familie had, nadat ze al het overtollige op een bult gegooid hadden, het jaar daarop het grootste paasvuur van de wijde omgeving. Dina is toen verhuisd naar het bejaardenhuis De Vloedgraven in Heino. Zij kon daar niet goed aarden en zij heeft achtereenvolgens gewoond in De Rozengaarde in Dalfsen, na psychische problemen in de St. Franciscushof te Raalte en wederom in De Vloedgraven. in Heino. In Raalte woonde zij een tijdje in bij een vroegere kostganger, die zich haar lot aantrok. Daarna kwam zij in de Swaenewoerd en vervolgens in de Hartkamp�, allebei in Raalte. Uiteindelijk is zij op 5 juni 1998 overleden. Zij had steeds nieuwe meubeltjes nodig omdat de oude regelmatig op wonderbaarlijke manier waren verdwenen. Bij al haar omzwervingen heeft zij veel bezoek gehad van mensen die zich haar lot aantrokken. Zij is tussendoor ook veel opbezoek geweest bij mensen uit Hoonhorst. Eens kwam zij bij een familie die nieuwe vloerbedekking had gekregen. Zij hief de handen omhoog, klapte meerdere malen van verrukking in haar handen en riep vol verbazing: ”t lik net grus, zo mooi gruun ‘.
Na het overlijden van de laatst overgebleven zuster wist vrijwel niemand hoe de erfenis geregeld was. Na enig speurwerk kwam er een testament boven waaruit bleek dat de laatste wens van de zusters was dat de rooms-katholieke parochie van Hoonhorst alles zou erven. Diezelfde parochie heeft ervoor gezorgd dat de oude steen op het graf van de ouders vervangen is door een steen voor de drie zusters, die daar alle drie begraven liggen. Het dorp kent haar oude inwoonsters nog met al hun eigenaardigheden en zorgt voor hun graf, dat er dan ook netjes bij ligt.

Bron: Omheining Heino sept 2002 Schrijver hiervan: Anton Heijmerikx

Artikel delen: