Geboren vóór 1960? Lees door!

Na 1960? Haak dan maar af, want hier begrijp je toch niets van! Volgens de huidige theorieën zouden we zelfs al lang dood moeten zijn ! Hoe is het in mogelijk dat wij, als in de veertiger, vijftiger jaren geborenen, nog leven? Wij zaten in auto’s zonder veiligheidsstoeltjes, zonder veiligheidsgordels en zonder airbags. Ons bed en ons speelgoed was geschilderd met verf vol lood en cadmium. Bovenaan de trap was géén hekje; wie te ver ging kukelde naar beneden en paste voortaan wel op.

Als je wakker werd in bed hoorde niemand dat, en als er écht iets was moest je hard schreeuwen voordat je ouders het merkten. Flessen met gevaarlijke stoffen, zoals apotheek- en drogisterijflessen konden we gewoon met onze handjes en beperkte motoriek openen.

 

Poorten en deuren gingen gewoon dicht, zonder elektrisch oog, en als je met je vingers er tussen zat waren ze blauw, of weg. Op de fiets zat je achterop met je gat op de bagagedrager en probeerde je vast te houden aan de schroefveren van het zadel voor je. Een helm hadden ze nog niet eens op een bromfiets, laat staan op een fiets.

 

Water dronken we uit de kraan, niet uit een fles. Brood stond stijf van conserverings­middelen. Na twee weken was een Bums nog nèt zo vers als bij aanschaf in de winkel. Kleur- en smaakstoffen moeten ook toen al bestaan hebben, want zo rood, groen of geel als die limonade toén was, zie ik ze nu écht niet meer.

 

Een kauwgompje legde je ’s avonds op het nachtkastje en stak je ’s morgens weer in je mond. Op school hadden ze maar één maat bank; vaak ook nog met zo’n heerlijk gevaarlijke klep er aan.

 

De ergonomie van schoenen bestond meestal uit het feit dat ze al waren ingelopen door een broer, zus, neef of zo, en ook je fiets was óf te groot óf te klein. Een fiets had geen versnellingen en als een band kapot was leerde je vader je zo snel mogelijk om die zelf te plakken, foutloos en ook in het donker, als het regende.

 

We gingen ’s morgens weg van huis en we kwamen terug als de straatverlichting aan ging. Niemand wist waar we waren in de tussentijd en we hadden geen GSM mee!

 

Het bos of een park was een plek om te spelen en was géén vieze mannetjes­verzamelplek.

 

Als we naar een vriendje gingen, liep je er gewoon naar toe, je hoefde niet aan te bellen en ook geen afspraak te maken. Er ging ook geen volwassene met je mee.

 

Wij aten ook al koekjes en kregen brood met veel boter en werden toch niet dik. We dronken uit dezelfde fles als onze vrienden en niemand werd er ziek van.

 

Wij hadden geen Playstation, Nintendo, X-box, 64 televisiezenders, videofilms, surround sound, eigen televisies, computer of internet. Wij hadden vrienden!

 

De televisiezender begon pas om 18.00 uur. Dan kwam een uurtje wat leuks voor kinderen en oh wee als je daarna durfde op te staan om op een knopje van een andere zender te duwen (die zaten aan het toestel vast). Pa bepaalde wat en hoe lang je daarna nog keek. De muziek die toen werd gemaakt wordt nu nog steeds bij televisiereclame gebruikt en alle top-topduizend nummers stammen uit ‘onze tijd’.

 

We hebben ons gesneden, botten gebroken, tanden uit onze bek gevallen en er werd niemand voor naar de rechter gesleept. Dat waren gewoon ‘ongelukken’ en soms kreeg je er ook nog zelf een extra pak slaag voor. Wij vochten en sloegen elkaar soms bont en blauw, en er was geen volwassene die zich er druk over maakte.

 

Pedagogisch verantwoord speelgoed maakten we zelf; met stokken sloegen we naar ballen (of elkaar), we bouwden zeepkisten en merkten onder aan de berg dat we de rem vergeten waren. We stookten vuurtje, maakten steeds weer nieuwe groepen die met elkaar op de vuist moesten en van elkaar moesten winnen, zoals cowboys en indianen.

 

We voetbalden op straat, en alleen wie goed was mocht mee doen; wie niet goed genoeg was moest maar blijven kijken en leren omgaan met teleurstellingen. Op school zaten ook domme kinderen. Zij gingen en kwamen op dezelfde tijd als wij en kregen dezelfde lessen. Zij deden soms een klas een jaartje over en daarover waren geen discussies op ouderavonden. De meester had altijd gelijk.

 

We smeerden onze boterhammen zelf, met een grote mensen mes, en als je ze vergeten was kon je op school niets kopen! Als je de korst niet at had je een beetje meer honger de rest van de dag.

 

Wij gingen met de fiets naar school, helemaal zelf, ook in de winter! Als je moeder aan de huisdeur nog naar je zwaaide, was je een watje! Als je problemen veroorzaakt had waren je ouders het eens met de politie. Ze kwamen wél om je te halen, maar niet om je er uit te lullen. Onze daden hadden consequenties. Dat was duidelijk en je kon je niet verstoppen. Wij hadden vrijheid, mislukkingen, succes en verantwoordelijkheid.

 

We hebben moeten leren er mee om te gaan. Onze generatie heeft véél mensen voortgebracht die problemen kunnen oplossen, innovatief bezig zijn en daarbij risico durven nemen en voor de gevolgen instaan. Hoor jij daar ook bij ?

GEFELICITEERD, dan behoor je tot de HELDEN !!!

Ingezonden stuk

 

 

Artikel delen: