Merovingisch grafveld in Oosterdalfsen gevonden

DALFSEN –  In Oosterdalfsen is, in de buurt van het grote grafveld van de Hunebedbouwers dat eerder al in het nieuws kwam, ook een klein grafveld uit de Merovingische periode (tweede helft 5e en/of begin 6e eeuw) ontdekt. Dit grafveld is ongeveer 1500 jaar oud en eveneens een primeur voor Overijssel. Er zijn 8 graven ontdekt.
In de graven hebben archeologen bijzondere bijgiften aangetroffen. Een man was begraven in een houten kist samen met zeer veel bijgiften. Een ijzeren ketel, een glazen drinkfles, een umbo (schildknop), lanspunten, een bijl en een zwaard met ingelegd handvat behoren tot de vondsten. In een vrouwengraf werden onder meer vier mantelspelden en een ketting van barnstenen en glazen kralen aangetroffen. Aan twee andere doden is een sax (slagzwaard) meegegeven in het graf.
De graven zijn allen gedocumenteerd en leeggehaald. De fragiele vondsten zijn overgebracht naar een conserveringslaboratorium waar ze worden schoongemaakt, geconserveerd en nader onderzocht. De archeologen proberen nu het verhaal achter dit kleine grafveld te reconstrueren en de vragen wie hier is begraven en waarom te beantwoorden. In het najaar worden de vondsten aan pers en publiek gepresenteerd door de gemeente Dalfsen, The Missing Link en ADC ArcheoProjecten. Zo hebben de archeologen de kans om eerst het onderzoek rond deze bijzondere vondst af te ronden.

 

De eerste resultaten van het archeologisch onderzoek in Oosterdalfsen

Op 28 april is de eerste fase van de archeologische opgraving in Oosterdalfsen afgerond. Een tweede fase betreft aanvullend veldwerk dat wordt uitgevoerd door de universiteit van Groningen en de hogeschool Saxion. Dit betreft echter kleine aanvullingen op onze kennis en is eerder bedoeld om archeologiestudenten te ondersteunen in het verwerven van vaardigheden. De kosten voor deze zogenaamde fieldschools worden door de universiteit en hogeschool gedragen.
Voorafgaand aan de opgraving is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dat inzicht heeft verschaft in de archeologische waarde van het onderzoeksgebied. Op basis van de resultaten nu moet geconstateerd worden dat een dergelijk onderzoek ook zijn beperkingen kent. Er zijn immers verschillende onverwachte vondsten aangetroffen. Nu zijn deze beperkingen wel bekend bij archeologen. Het toeval wil echter dat het juist de aanvullende resultaten zijn van het recent afgeronde onderzoek die vaak maar moeilijk te traceren zijn tijdens een verkennende fase van archeologisch onderzoek. Omdat er echter een prijsstelling gekoppeld is dat gebaseerd is op de verwachtingen vooraf is het wenselijk om deze eerst in het kort te schetsen om vervolgens te beschrijven in hoeverre de resultaten van nu daarvan afwijken.
De verwachting voorafgaande aan het archeologisch onderzoek
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden sporen en vondsten gevonden die wezen op de ligging van een historische weg, de aanwezigheid van een of meerdere historische erven en nederzettingssporen uit de Brons- en IJzertijd (ca 1500-12 v.Chr). Opvallend was het voorkomen van een dunne spreiding aan crematiegraven die zich langs de historische weg leken te concentreren. Tenslotte zijn er twee trechterbekers (2900-2700 v.Chr) aangetroffen. De inschatting was dat deze mogelijk deel uit zouden maken van een klein cluster graven. Zo is bij het enige Overijsselse hunebed (Mander) een cluster van 6 vlakgraven aangetroffen.
Op basis van deze verwachtingen is ADC ArcheoProjecten in samenwerking met studenten van Saxion begonnen aan een opgraving die ca 6 weken zou gaan duren en waarbij ongeveer 27.000m2 zou worden opgegraven.
De eerste resultaten van de opgraving
De opgraving heeft vanwege enkele toevalsvondsten langer geduurd dan van tevoren beoogd. In totaal is gedurende 10 weken een oppervlak van 33.000 m2 onderzocht. Hierbij is naast de hulp van studenten van Saxion, ook veel assistentie verricht door studenten archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen.
De historische weg is inderdaad aangetroffen en is in detail onderzocht. Behalve deze weg zijn nog resten van verschillende middeleeuwse kavelsystemen blootgelegd. In het zuidoosten is tevens een boerenerf opgegraven waarin zich boerderijplattegronden daterend tussen de 10e en 14e eeuw bevinden alsmede een bijzonder goed geconserveerde waterput.
Het landschap bestaat uit een hoge rug waar in het centrale deel de weg overheen loopt. Op datzelfde deel zijn ten minste 30 crematiegraven, al dan niet met kringgreppels, tevoorschijn gekomen. Gezien de spreiding ervan suggereert de ligging van die graven dat de historische weg ver terug gaat tot een route die al vanaf de prehistorie functioneert. De graven dateren namelijk tussen ca 1300 en 500 v. Chr. Op de noordelijke flank van de rug zijn verschillende boerenerven aangetroffen die dateren uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd. Het gaat om ten minste twee plattegronden en enkele bijgebouwen. Op de zuidelijke flank zijn ook ten minste drie erven uit de IJzertijd opgegraven. Tenslotte is op de noordelijke flank nog een gebied aangesneden waarin zich ca 25 houtskoolkuilen bevonden. Deze dateren tegen het einde van de Vroege Middeleeuwen en houden verband met een industriële productie van houtskool. Blijkbaar was het gebied, voorafgaande aan de inrichting van de es, erg bosrijk.
De opgraving biedt hiermee een waardevolle aanvulling op onze kennis over de archeologie van het Vechtdal en die van Dalfsen in het bijzonder. Met name de resultaten van de opgraving Gernemarke kunnen nu beter ingekaderd worden. Hiermee heeft de opgraving antwoorden geleverd op de bestaande vraagstellingen en zijn de resultaten conform de van tevoren bestaande verwachting.
Boven verwachting was de vondst van een grafveld uit de Trechterbekerperiode. De bredere dekzandrug mondt in het westen uit in verschillende smalle ruggen. Ter hoogte van de eerder aangetroffen trechterbekers bleken zich meerdere graven te bevinden. De daarop volgende opgraving mondde uit in de vondst van 120 graven uit de Trechterbekerperiode en een bijzondere greppelstructuur. Dit grafveld, inmiddels het grootste uit de steentijd in Nederland, omvat een areaal van 120 bij 20 meter en wordt begrenst door een oude rivierarm van de Vecht in het zuiden en een laagte in het noorden (zie onder).
Op de dekzandrug direct daarboven (ook met een breedte van ca 20 meter) bevonden zich ook bijzondere archeologische resten. Niet allen loopt de strooiing met crematiegraven door, er kwam ook een grafheuvel uit de Midden Bronstijd tevoorschijn. Het meest in het oog springende is echter de ligging van een boerenerf uit de Trechterbekerperiode. Er is tenminste een, mogelijk drie, huisplattegrond aangetroffen in combinatie met enkel kuilen. Het is de eerste keer in Nederland dat dergelijke boerderijplattegronden zijn opgegraven. De ligging van een boerenerf en een grafveld is een voor internationale begrippen unieke combinatie.
Tenslotte bracht de laatste week van de opgraving een laatste verrassing. In de werkput lagen ook 8 merovingische grafkuilen die tezamen een klein grafveld vormen dat voorlopig in de tweede helt 5e en/of begin 6e eeuw gedateerd wordt. Het is de eerste keer in Overijssel dat dit soort graven tevoorschijn komen. De samenstelling van de graven is bijzonder. Twee springen er uit door hun rijkdom. Het betreft een kamergraf waarin een man begraven ligt. Behalve de houten bekisting (er zijn kistnagels teruggevonden) bleek het een opmerkelijk rijke grafinventaris. Er bevonden zich in het graf een ijzeren ketel, een glazen drinkfles, een umbo (schildknop), lanspunten, een knoest of bijl, een zwaard (met een ingelegd handvat, vermoedelijk met goud) en verschillende ringen. De dode moet tot de hoogste elite hebben behoord. Even verderop lag het graf van wat naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouw geweest moet zijn. Hier werd een potje, vier bijzondere mantelspelden (waarvan twee ingelegd met amaldijn) en een rijke ketting (bestaande uit glazen en barnstenen kralen in totaal ca 100 stuks) aangetroffen. Bij deze twee graven lagen er nog twee waarvan de
doden een sax (slagzwaard) meegekregen hebben. De samenstelling en datering van dit grafveld zijn voor Nederlandse begrippen zeer bijzonder.
Het grafveld uit de Trechterbekerperiode in meer detail
De grafkuilen tekenen zich af als eivormige vage verkleuringen. Enkele zijn rechthoekig en hebben sporen van houten bekisting. Van de lichamen is vrijwel niets overgebleven. Bij enkele graven zijn zogenaamde lijksilhouetten aangetroffen (vage verkleuringen in het zand in de vorm van een lichaam). Het merendeel van de graven bevat bijgiften. Het meest algemeen zijn (min of meer volledig bewaarde) bekers maar vuurstenen voorwerpen, enkele barnstenen kralen en stenen bijlen komen ook voor. In totaal zijn nu 100 Trechterbekers geborgen. De Trechterbekers dateren vrijwel allen uit een periode tussen 2900 en 2750 voor Chr. Dit betekent dat het grafveld door een kleine gemeenschap intensief gebruikt is. Rondom sommige graven zijn palen aangetroffen die verwijzen naar de ligging van paalkransen en andere monumentale structuren.
Centraal in het grafveld ligt een greppelstructuur die over een lengte van 20 meter te vervolgen is maar op basis van reconstructie waarschijnlijk 30 meter lang geweest is. De breedte van de structuur bedraagt 4 meter. De interpretatie hiervan stelt archeologen vooralsnog voor raadsels. Iets vergelijkbaars is nog niet bekend. Op dit moment wordt er van uitgegaan dat het een centrale monumentale grafkamer is die aan het begin stond van het grafveld. Het belang van de grafkamer wordt onder meer duidelijk omdat de rijkste graven het dichtst bij de structuur liggen. Hiermee hebben we aanwijzingen voor het bestaan van sociale verschillen binnen de samenleving van de Trechterbekercultuur.
De vondst van dit grafveld is niet alleen van belang voor Dalfsen en Overijssel maar overstijgt zelfs het nationale belang. Het is de eerste keer in Nederland dat we een grafveld van enige omvang uit de Trechterbekerperiode op moderne wijze kunnen onderzoeken. Veel onderzoek naar bijvoorbeeld de Hunebedden dateert van lang geleden. De kennis uit dit grafveld gaat onze kijk op de periode (inclusief die op de Hunebedden) de komende periode veranderen. De ligging en monumentaliteit roept vragen op over de wijze waarop destijds naar het landschap werd gekeken. Het lijkt er op dat het grafveld als centrale focuspunt van een lokale gemeenschap fungeerde. Het biedt informatie over de wijze waarop een lokale gemeenschap het landschap naar zijn hand zetten. De ligging en aard van bijgiften stelt ons in staat de sociale organisatie van dergelijke gemeenschappen in kaart te brengen. Is er sprake van familiegroepen (bijvoorbeeld op basis van stilistische overeenkomsten in het meegegeven aardewerk), zijn er sociale verschillen (op basis van de rijkdom van de bijgiften)? Moderne onderzoeksmethoden (chemische analyses van potinhouden, residueanalyses, OSL-dateringen en slijpplaatonderzoek) bieden een belangrijke potentiële aanvulling op onze kennis.
De interpretatie van het centrale grafmonument zal ongetwijfeld nog tot discussies gaan leiden omdat gericht onderzoek absoluut noodzakelijk is voordat verregaande uitspraken gedaan kunnen worden. De interpretaties zweven nu van een monumentaal aarden monument tot een houten versie van een Hunebed. Dat laatste zou, mocht het ook definitief te bewijzen zijn tot een absolute sensatie leiden bij wetenschappers en het grote publiek.
De Trechterbekercultuur behoort (met de Hunebedden als beeldmerk) tot de canon van onze vaderlandse historie. Het zijn boven de grote rivieren de eerste groepen die bewust een keuze maken om zich als boeren ergens te vestigen. Het zijn de eerste mensen die de natuur (het oerbos
van destijds) naar hun hand zetten door stukken bos plat te branden. Het zijn daarmee ook de eerste mensen die hun aanwezigheid in het landshap accentueren door monumentale bouwwerken op te richten die (zo blijkt nu) niet alleen maar uit Hunebedden bestaan. Vanuit dat perspectief zijn het onze eerste voorgangers, zeg maar oernederlanders die de eerste steen hebben gelegd aan wat nu het Nederlandse landschap is. Intrigerend daarnaast is dat deze oernederlanders ook deel uitmaken van een sterke (noordwest) Europese traditie van de megalietenculturen. Totnogtoe is onze kennis over hun materiële cultuur goed (dit op basis van de huidige museumcollecties) maar op basis van modern onderzoek nog maar beperkt. De opgraving in Oosterdalfsen belooft hierin een belangrijke bouwsteen te kunnen vormen.

H.M. van der Velde
ADC ArcheoProjecten

Bron gemeente Dalfsen

Artikel delen: