MATARAM – Een rondwandeling op de Mataram, hoe was het vrogger samen met een oud bewoner van de arbeiderswoning, die hier in 1944 geboren is en er heeft gewoond tot ongeveer 1961. Deze voormalige bewoner is Aalt Janssen. Zijn vader was hier als tuinman en boswachter werkzaam, begonnen in 1941 nadat ze waren getrouwd, dit na de periode dat de vader van Ab Goutbeek hier tuinman was.
De tuinmanswoning was op dat moment nog niet beschikbaar en hebben daarom eerst een tijdje gewoond op de zolder van het grote huis. Aalt neemt mij eerst mee naar de moestuin die er nu heel anders uit ziet. Toen stonden er achter in de tuin, waar nu de dennen staan oude appelbomen en was er van hieruit een doorgang naar de schuur die er achter staat. In de tuin destijds de bloemen en de groente perkjes, maar er hebben hier ook twee grote kassen gestaan weet Aalt nog uit verhalen van derden. In een kas weet hij dat er een vijgenboom stond en witte en blauwe druiven.
Achter de kas waren tamme kastanje bomen geplant. Aan de linker en de rechterkant was de tuin afgesloten met een prachtige beukenhaag die twee keer per jaar moest worden gesnoeid, dat deed zijn vader samen met Herman van de Kolk. Een broer van Herman werkte toen op de Horte. Nu is de haag geheel doorgeschoten en wordt al jaren niet meer gesnoeid. Er was er nog een personeelslid Willem Lubbers uit Dalfsen, zoon van de petrolieboer. Aan de kant van de tuinmuur richting de houtschuur stonden de pruimen en perzikenbomen en het gedeelte vanaf de ingang van de tuin naar het grote huis de eenruiters-glasbakken. (eenruiters geeft de maat van het glas aan dat was 73 x 173 cm)
De beukenbomen die de doorgang gaven naar het grote huis werden rond gesnoeid en zijn inmiddels forse bomen geworden. Richting het huis met daar tegenover een weiland wat toen altijd bouwland was.
Staande achter het grote huis wees Aalt naar de zolder waar zijn ouders hebben gewoond. In de bijkeuken stond ook een hele grote goed geïsoleerde tank die nodig was voor het drinkwater, die tank is later gesloopt omdat ook de Matram was aangesloten op het waterleidingnet. De bewoners van het huis waren eerst de Baron Van Voorst tot Voorst en later heeft hier nog de familie Van Elk gewoond. Het goed was in eigendom van De Vos van Steenwijk.
In de garage woonde eerst de familie Van de Brink die later is verhuisd naar het begin van de Emmerweg. Later heeft hier nog de familie Meijer gewoond en vele anderen, ik zou nog graag alle namen weten van alle mensen die hier en in het grote huis hebben gewoond.
Gaan we verder de Mataram op komen we in de buurt van de oude werkschuur. Aan de achterkant is de schuur deels bedekt met grijze cement pannen, dit is gedaan in de oorlog toen door een geweldige explosie het halve dak er af vloog en rode pannen niet waren te krijgen. Naast de schuur heeft nog een loods gestaan waar we in de wintermaanden het brandhout gingen zagen, eerst met een oude tractor, later met een dieselmotor. Links achter in de schuur had mijn vader een kippenhok, waar we elk jaar jonge kuikens kregen voor het opfokken tot legkippen om weer te verkopen. De schuur is nooit een woning geweest. Aan de kant van de tuin zat links een paardenstal, waar de paarden van de bosarbeider van de Mars uit Wijhe zijn paarden kon stallen als die dagen achter elkaar hier in het bos aan het werk was, zelf ging hij dan ’s avonds op de fiets naar Wijhe terug. Mars was ook betrokken bij het bosonderhoud van het landgoed de Gelder onder Wijhe waar hij ook woonde in een dienstwoning. De Mataram en de Gelder waren beiden eigendom van De Vos van Steenwijk.
Rechts in de werkschuur was een grupstal waar geen koeien stonden, maar opslag voor een tractor en landbouwwerktuigen. Verder in de schuur een werkplaats voor het gereedschap. Elektriciteit heeft mijn vader hier zelf aangelegd vanaf de tuinmanswoning, natuurlijk was hier ook geen telefoon. Als hij dan moest eten of de rentmeester moest hem hebben schakelde mijn moeder de stroom een paar keer uit en aan, als teken dat hij thuis moest komen. Ook stond er bij het huis een grote bel op een paal voor als ze in het bos aan het werk waren door belsignalen aan kon geven wat er was. Op de zolder van de werkschuur lagen toen nog enkele oude munitiekisten die de Duitsers hebben achtergelaten.
Wandelen we verder door het modderpad zien we rechts de oude beukenlaan, die volgens Aalt “de Postwagen” werd genoemd. Volgens oude verhalen zou dit een weg geweest zijn waar de postkoets vroeger vanaf Zwolle- Wijthmen richting Hoonhorst ging, dat was dan voordat de Poppenalle bestond. Helaas in het grootste deel van de laan een tiental jaren teruggesnoeid en dat hebben de bomen niet overleefd. Aan de rechterzijde van het modderig pad moet de locatie zijn geweest waar de V2 zijn afgeschoten. Aalt herinnert zich nog de plaats waar altijd een grote krater in de grond zat van een teruggekomen V2. In dat gat speelden we vroeger heel vaak.
We gaan richting de buitengracht aan de Mataramweg en gaan rechtsaf en volgen het pad langs de buitengracht en zien dan even verder een heuveltje aan de rechterkant, met een gracht er omheen. Dat noemden we altijd het “hondenkerkhof”. Iets verder was de plaats waar een bruggetje zat waar de postkoets zijn weg vervolgde. Een heuveltje aan de linkerkant van het pad noemden ze de “Chinese tent”, hier heeft vroeger mogelijk een theekoepeltje gestaan met een mooi uitzicht richting Hoonhorst, iets verder een hoger heuveltje, duidelijk aangelegd, noemden ze het “Dennenbergje” ook hier zou een koepeltje hebben gestaan.
We volgen het pad verder en Aalt herinnert zich dat hij hier aan de rechterkant een zandafgraving was voor geel zand, dat werd gebruikt in de koestal in het voorjaar als het vee weer naar buiten was en voor wat straatwerk. Hier in dit bosgedeelte heb ik Herman van de Kolk vaak zaterdags geholpen met het poten van dennen. Ook hier heb ik van Herman het pijp roken geleerd, die eerste pijp heb ik nog steeds in mijn bezit. Herman was een straffe pijproker, maar ik moest oppassen dat mijn vader mij niet zag roken.
Rechts van dit pad zaten toen veel dassen burchten, maar ook veel konijnen. Met de jacht gebruikte mijn vader een fret om konijnen uit het hol te krijgen. Hier stonden toen enorm grote beuken die werden verkocht. Met een oude MG legerkraan werden de bomen uit het bos gesleept. Alle takken werden er ook uitgehaald en dat hout ging naar de rokerij van Olba in Olst, dat was een vleesrokerij en daarvoor was beukenhout nodig. Iets verder links komen we bij de volgende heuvel wat de “kogelvanger” was. Deze kogelvanger werd in vroegere jaren zowel door de Mataram als door de Horte gebruikt. Op de kogelvanger stonden nog meer enorm grote beuken die er nu niet meer staan.
Het inmiddels ook al wel 50 jaar geleden dat ik hier ben geweest, dus in die tijd is er veel veranderd. Nog voor de kogelvanger kwamen we langs een paar waterpartijen, hoe die ontstaan zijn in mij geheel onbekend. Wel plukten we hier de “lelietjes van dalen”. Ook stonden hier lupine-achtige bloemen, maar die waren giftig en mochten we niet plukken. Verder komen we bij een grote vijver, die heette “de drievijvers’. Bestond uit drie verschillende vijvers, nu is het een geheel. Een aantal perceelsnamen die mij bekend zijn het kraaienbos, het frankeler, gerstekampje, veltienskoeland, spiekerbelt en de weg langs de tuin de grote allee.
We komen weer terug bij de ingang en bij de tuinmanswoning waar Aalt de eerste ruim 16 jaar van zijn jeugd heeft gewoond.
Voor Aalt was deze wandeling weer even terug in de tijd. Herinneringen uit vroegere tijden doen de verhalen weer herleven.
WvdV







