DALFSEN – Deel uit ONKRUID, botanische wandeling door Overijssel door F.E.Van Eeden in 1882. Het huis Mataram, ofwel Deeze stond er toen nog. Dus meer dan 100 jaar geleden trok van Eeden te voet vanaf de Veluwe tusschen de kolossale ijzeren tralies van de ratelende en dreunende IJsselbrug en zag omlaag in een liefdelijk dal, een breeden stroom met vriendelijke oevers. De oude rijks en Hansestad Zwolle ligt voor ons. ’t Is als zijn we in een ander land, onder een ander volk. Nog altijd zweeft hier eene herinnering aan de Saliers, den beroemden Frankischen stam.
Salland heet dit gebied, het westelijk deel van het tegenwoordige Overijssel, van Zwolle tot digt bij Deventer. Onze historieschrijvers leidden de naam Zwolle af van de vette weiden, waarin de koebeesten “zwollen”.
Zuidwaarts van Zwolle ligt de straatweg naar Almelo, in het begin een breede lange laan door statige beuken beschaduwd, schilderachtig vooral als in de donkere verte een huifkar of een koppel roodbonte koeijen aankomt. We zijn nu aangekomen onder het lommer van Boschwijk, de oude buitenplaats van Rhijnvis Feith. Het eenvoudige woonhuis tusschen prachtig hoog geboomte, is evenals de plaats zelve weinig veranderd. Digt bij het huis staat een wilg van 4.63 meter stamomvang. Op Boswijk begint de natuur hare regten te doen gelden en ontluikt reeds de eerste kiem der vrije gedachte. Aan de overzijde van de weg ligt een onafgesloten gedeelte der plaats met digt belommerde heuveltjes, een oud prieel met een breede bank, de geliefkoosde plaats van Rhijnvis. Wij verlaten Boswijk en slaan even verder een zijweg in naar Dalfsen. Hier liggen de landhuizen De Horte en Mataram, beiden gestigt in een tijd, toen onze oude geslachten nog niet ontzenuwd waren in de groote steden. De Horte draagt haar naam naar eene plant die ook Ratelen genoemd wordt ( Rhinanthus major) een lastig onkruid. De groote vliezige vruchten maken door de zaden een rammelend geluid, vandaar de naam “groote ratelaar”. Deze plant is het kenmerk van verwaarloosde akkers. Het bosch bestaat uit eiken, lijsterbessen, klaterpoppels, kurk- iepen, de geoorde wilg en lage heesters. In het gras groeit de wilde anjelier, een hooge lichtblauwe Campanula die wegens haar sterk voortwoekerende wortel een lastig onkruid kan worden, ook “duivels naaigaren” genoemd. Ook klaprozen, korenbloemen, den bolderik, den Venusspiegel en de riddersporen komen er voor. Diep in het bos verscholen en niet vanaf de weg zigtbaar ligt het huis met den vriendelijken moers- en bloemtuin. Er voor en aan de achterzijde een wijd uitzigt over de weilanden op de begroeide hoogere zandgronden van Lenthe en Hohenhorst
Ongeveer een kwartier oostwaarts van de Horte, op meer zanderige, heuvelachtige bodem, ligt een uitgestrekt park, met vijvers en weiden, hooge bomen en zonnige eikenbosjes. De naam Mataram op de zware steenen beren van het altijd openstaand hek, herinnert ons aan het groote Javaanse rijk, het laatste overblijfsel van Java’s oude heerlijkheid en van de magt der Oostindische Compangnie. Een breede zonnige laan brengt ons voor het verlaten huis, een groot kasteelachtig gebouw in den stijl der vorige eeuw. Het is geheel gesloten en aan alle kanten in verval. De kozijnen zijn nagenoeg verveloos met kronkelende barsten. De zware luiken kromgetrokken door de brandende zon, het gras schiet overal op tusschen de stenen van het bordes, de zitbanken voor den hoofdingang zijn schier uiteengevallen. Te midden van de groene natuur en bij de heldere middagzon was dat verlaten huis een somber beeld van den dood. Een bouwval kan ons aangenaam stemmen, want het verleden is te lang voorbij, hij is in het landschap overgegaan als een natuurbeeld. Een vervallen maar nog niet onbewoonbaar huis wekt huivering als een lijk boven aarde. De bosflora is hier goed vertegenwoordigd. De wilde tulp groeit hier in het voorjaar, de gele balsemine is vrij talrijk, de bottelroos, het robbertskruid, het lelietje de dalen en het vingerhoedskruid spreken van eene natuur die hier eeuwen inheems is.
Het vee is hier rood-bont met in de vetweiden een loslopende stier die het doorwandelen van een weiland een waagstuk maken. Want nauwelijks wordt de stier u gewaar of hij steekt den woesten, dwarsgehoornden kop omhoog en komt met een kort afgebroken gebrul langzaam op u af.
Achter de Mataram loopt een beschaduwde zandweg tusschen welige braamstruiken, die in de nazomer gebogen zijn door de zware trossen van zwarte vruchten. Die weg leidt ons langs langs lage weiden langs de oude molen in Lenthe en verder tusschen de weilanden via de oudste weg naar Dalfsen, oude Vechtsteeg genaamd, over de hogere zandgronden op de Hohenhorst naar Den Berg en Aalshorst met zijn heuvelachtige gronden gelijkend op duinen. Van hieruit gaat de wandeling richting Regteren en Vilsteren om dan via Ommen de terugtogt naar den Agnietenberg bij Zwolle uit te koomen.
Botanische wandeling
Artikel delen:

