DALFSEN – Lees hier verder het verhaal van het magazine: Dalmsholte was één grote woestenij. Dalmsholte was 250 jaar terug één grote woestenij. Grote heidevelden van voorbij de Lemelerberg tot Hellendoorn uitlopend naar een punt richting de Moezenbeld. Een onbewoonbaar gebied, toch niet helemaal.
Hier en daar aan de randen bij Luttenberg en Rechteren, Vilsteren en Lemele bewoning in Saksische boerderijen. In het veld armoedige kotters, wat niet meer was dan een houten of aangesmeerd wilgentenen optrekje, gedekt met riet uit het veld. Hierin woonden soms jonge gezinnen zonder inkomen in leven blijvend van wat er in het gebied te halen viel.
Soms als schaapherder in dienst van boeren en met een kudde de heide introkken. Die schapenmest was van groot belang, was het “goud” om de grond vruchtbaar te maken, elke avond terug naar de schaapskooi waar de mest werd “verzameld”. Het was niet alleen heide, hier een daar een eikenboom, vliegdennen, berkenopslag, maar ook vennen, moeras en stuifbelten, één grote wildernis in het bezit van de marken Dalmsholte, Rechteren en Millingen. In het veld eeuwenoude singels of een enkele solitaire eiken (foto boom Kortersweg schatting 300 jaar oud).
De bewoners begonnen een klein stukje grond rond hun “hutje” te ontginnen voor de verbouw van eigen rogge, haver en later wat aardappels, vingen vissen uit de vennen, vooral paling. Turf steken onder de heide voor eigen gebruik of als ruilmiddel, trekturf werd uit de vennen getrokken met een trekbak en op het veld te drogen gelegd in mallen, slechte turf maar prima voor eigen gebruik. Wilgentenen gingen naar de rietdekker en de mandenmaker. Van berken en heide werden bezems en borstels gemaakt. Zo nu en dan werd er een haas of konijn gevangen. Hout of heideplaggen voor verwarming in het openvuur was voldoende voor handen.
Mensen leefden in armoede maar bleven in leven door telkens weer een stukje grond rond het huis aan te graven (te ontginnen), soms geestelijk bijgestaan door de diaconie en een beetje handel. Deze zandgronden waren de slechtste gronden van heel Overijssel.
Maar de heide verdween op sommige plaatsen door het steken van plaggen voor verwarming en de potstallen. Ook werd er door mensen uit omliggende dorpen o.a. Dalfsen, hout gesprokkeld en het bleef niet tot sprokkelen, ook bomen moesten het ontgelden. Dit had grote zandverstuivingen tot gevolg. Hutjes werden kleine boerderijtjes, met één of enkele runderen voor eigen melk- en vleesproductie. Enkele kippen die zich in leven hielden in het veld, goed voor de eieren.
Een varken om in de winter wat spek op tafel te krijgen, heel langzaam waren er ontwikkelingen en kwam de ontginning op gang, de veestapel werd voorzichtig uitgebreid. Over de hoge heidevelden liepen voet- en slecht berijdbare zandwegen van dorp naar dorp. Heide en veengrond werd, hoe moeizaam dan ook omgezet tot vruchtbaar bouwland op de wat hogere delen, de lage gronden werden weide en grasweiden. Ossen, runderen en koeien werden voor een eenvoudige ploeg gezet om ontginning mogelijk te maken (zie foto van Historische Werkgroep Lemelerveld). Arme mensen trokken het gebied in om hier hun geluk hopen te vinden. Heel langzaam kwam het gebied tot leven.
Al begin 19e eeuw verboden de marken om nieuwe hutjes te bouwen in het veld en er mocht geen illegale woeste grond van de marken meer worden aangesneden (eigenhandig ontginnen en toe-eigenen). Ook het plaggen van heide werd verboden vanwege aanhoudende stuifzand problemen. In de eerste helft van de 19e eeuw waren er al plannen om markegronden te verdelen, waarbij vooral de landgoederen er aanspraak op maakten. Dit werd soms nog tot de rechter uitgevochten als we die verslagen mogen geloven.
Ook waren er al vanaf 1830 plannen voor het graven van een kanaal van Zwolle naar Almelo, in eerste instantie met een bodembreedte van slechts 4 meter, maar dit werd telkens afgekeurd. Pas tegen 1850 waren de plannen definitief en de bodembreedte werd 7 ½ meter, (later halverwege de 20e eeuw is het kanaal opnieuw verbreed). Het kanaal kwam gereed rond 1854 en werd druk bevaren. Ook uit die periode stamt ook de Dalmsholterwetering en de Vilstersescheidssloot die water uit het gebied af moesten voeren.
Ontginningen waren in heel Overijssel al meer dan een eeuw aan de gang. Hier is de ontginning van het gebied in” het veld van Lemele” pas groots begonnen rond 1850 voor de bietenteelt wat later geen succes was, maar wel het ontstaan van Lemelerveld. Er ontstonden grote akkers op schrale grond en nadat eind 19e eeuw de kunstmest was uitgevonden was men niet meer aangewezen op de mest van schapen en runderen en werden de gronden vruchtbaarder. De lage delen o.a. aan de Bosrandweg werden weilanden. Ook de vennen op de Vennenberg werden geslecht met de stuifbelten uit dit gebied. Als herinnering staan er in het gebied een paar oude eiken (bosrandweg) van mogelijk wel 300 jaar en de monumentale schaapskooi uit die periode, waarvan er begin 1800 veel meer in het gebied stonden. (Zie SK op de kaart.)
Langs de akkers verschenen zandwegen met meidoornhagen en dubbele sloten om een eigen gebied af te schermen. Daartussen ontstonden mooie singels met eiken, berken, braamstruiken en knotwilgen in het landschap en er kwamen wat meer boeren in het gebied te wonen. Na de uitvinding van het prikkeldraad rond de eerste wereldoorlog verdwenen helaas veel van die elementen uit de natuur. De schaapherder had weinig meer te doen en diverse schaapskooien zijn alleen op de kaart nog terug te vinden. Wegen werden aangelegd om door het gebied te kunnen komen, zo ook de Langsweg, de Bosrandweg (“Weg langs het zand”) en Venneweg. Oude bomen van rond de 160 jaar sieren nog die wegen. Ook de eerste verharde wegen kwamen 100 jaar terug door dit gebied.
Eind 19e eeuw kwam er vanuit de mijnbouw heel veel vraag naar dennenhout, te gebruiken in de Staatsmijnen. Dennenhout kraakt eerst alvorens er een mijn gaat instorten, dus kregen mijnwerkers de gelegenheid te vluchten, en het is lekker goedkoop, groeit zelfs op slechte grond. Bij de aanleg van het Sterrebos eind 17e eeuw heeft Vriezen, toen ook eigenaar van Den Aalshorst en de Zandwijk het gebied al vol geplant met dennen. Het Rechterenseveld tussen de Diezerstraat en de Bosrandweg was tot het eind van de 19e eeuw nog een groot heideveld met stuifbelten en is rond die eeuwwisseling geheel vol geplant met dennen als productiehout. Niet alleen dennen omdat het gebied op veel delen erg nat was. Daarvoor werden en rabatten aangelegd, dat zijn op onderlinge afstand van elkaar sloten graven o het water af te voeren en met het zand het deel er tussen op te hogen (zie foto). Op deze rabatten werden dan vooral eiken geplant. Eiken om te kappen als ze 10cm dik waren om bast te kunnen leveren aan de leerlooierij. Zie daarover het boek Eikenhakhout van Ab Goutbeek.(zie foto).
Ontginning ging nog vele jaren door, het Hessumseveld onder Rechteren is pas rond het midden van de vorige eeuw ontgonnen, waar boeren uit andere delen van het land zijn begonnen (Betuwe). Begin en midden vorige eeuw werden op grote schaal onder Rechteren egalisatiewerken uitgevoerd door de Nederlandse Heidemaatschappij, veelal machinaal en na de 2e wereldoorlog nog als handwerk voor werkverschaffing en als werklozenprojecten.
De heidevelden namen sterk af in de provincie Overijssel. Rond 1885 bedroeg het nog 600.000 ha, doch in 1961 toen het rijk de ontginning heeft stopgezet was het nog slechts 125.000 ha, wat nu ingericht is als natuurgebied. De regering heeft maatregelen genomen tegen het verdwijnen van heide. Hier een daar gingen particulieren nog wel door, maar ook dat is nu gestopt.
De Landgoederen zijn nu in het bezit van de grootste delen van het gebied. Landgoed Rechteren met 1200 Ha, Den Berg met 235 Ha, Den Aalshorst met 480 Ha en Natuurmonumenten met ruim 100 Ha.
Het landschap in dit gebied is ondanks de ruilverkaveling nog heel bijzonder te noemen. Prachtige boomsingels zijn behouden gebleven en de bossen worden steeds meer onderhouden, oude bomen worden gespaard. Een ontwikkeling die we nu met zorg moeten omarmen. Hoe we ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van elk gebied geeft heel veel informatie en daar mogen we erg trots op zijn.
Bijgevoegde kaarten geven indruk aan van de invulling in het gebed.
Kaart 1850, nog geen enkel invulling van het gebied, een grote woestenij, heide en zandverstuiving.
Kaart 1887, enkel kleine bospercelen ingevuld, maar in het gebied 4 x SK = schaapskooi.
Kaart 1910, steeds meer bosaanplant te zien in het hele gebied.
WvdV










