DALFSEN – “Je ontgraaft 3 hecatare en dat vind je zoiets als dit. Een toevalstreffer, een unieke vondst”, aldus Niels Bouma van ADC ArcheoProjecten over de ontdekking van ploegsporen van een zogenoemd eergetouw, oftewel een scheurploeg. Het eergetouw was vervaardigd van een kromme stam met een houten punt die de grond als het ware openscheurde.
De archeoloog vermoedt dat de ploeg werd voortgetrokken door een os of een paard. De archeoloog en projectbegeleider noemt de vondst bij de publieksopgraving in Oosterdalfsen een unicum omdat de kans minimaal is dat dergelijke sporen bewaard blijven, laat staan gevonden.
De ploegsporen uit het Neolithicum (de nieuwe steentijd) wijzen op het gebruik van een eergetouw. De landbouwers werkten volgens een dambordpatroon zodat de grond goed werd losgemaakt. Vanaf de late IJzertijd (250 voor Christus) had men zogenoemde keerploegen, waarmee de grond werd omgekeerd. Deze manier van ploegen is te herkennen aan de lange rechte lijnen die in de grond getrokken zijn.
Vanwege de weersomstandigheden waren de flinterdunne sporen ten tijde van het bezoek afgedekt met plastic. Uitdroging en verstuiving lagen op de loer en dat zou funest zijn voor het archiveren, fotograferen en intekenen. De studenten archeologie die er rondlopen hebben de tijd van hun leven, Celine de Ruiter bijvoorbeeld. Zij volgt de opleiding archeologie bij de Saxion Hogeschool in Deventer, waar ze ook woont, maar ze is geboren en getogen in Dalfsen.
Merijn Roskam uit Nieuwleusen is samen met zijn vader gekomen en loopt op de zandbulten buiten het opgravingsgebied met zijn metaaldetector te zoeken naar sporen uit de oudheid. De oogst bestaat vooral uit spijkers, maar één vondst smaakt naar meer: een stukje aardewerk uit de 12e eeuw. Dagelijks wordt projectleider Niels Bouma omringd door vrijwilligers uit het hele land die gefascineerd zijn door ruim 5000 jaar geschiedenis die zich schuilhoudt in de zandlagen van Oosterdalfsen.
Het enthousiasme is groot. Eén van de vrouwen die op de eerste dag de restanten van een crematiegraf vond, heeft al 900 kilometer heen en weer gependeld tussen haar woonplaats Almere en Dalfsen, om maar niks van de opgraving te missen. Natuurlijk hoopt ze op op een ontdekking zoals op dag één, maar “dat is een utopie” zegt ze zelf. “Het is al gaaf dat je mag meewerken. Het blijft spannend, ook al vind je niets”, aldus de Flevolandse.
Getuige de opkomst spreekt de publieksopgraving zeer tot de verbeelding. Meewerken mag tot 9 september. Het plan van Niels Bouma is om nog enkele putten te graven. Gewoon, omdat het nu nog kan. Immers, in januari wordt het gebied bouwrijp gemaakt en zijn de kansen voor eeuwig verkeken.













