Mantelzorger
Die jas staat je goed: met het zachte rood
van de liefde, als een blos op de wangen
van iemand die met hart en ziel verlangen
van de ander wil aanhoren, de nood
wil verzachten tot leefkracht en de bange
vermoedens, angst, soms zwaar als lood,
wil mee helpen dragen, tot aan de dood.
Die jas staat je goed, met het zachte rood
van rozen zonder dorens. Het ontvangen
van dank is de grote beloning. Het brood
voor de behoeftige is vaak de lange
adem van zwijgen, kijken. Blijf omhangen
de mantel; die staat je goed, zo zacht rood.
© lenze l. bouwers

