Een tussendoorgedicht: Mantelzorger

 
Mantelzorger
Die jas staat je goed: met het zachte rood

van de liefde, als een blos op de wangen
van iemand die met hart en ziel verlangen

van de ander wil aanhoren, de nood
wil verzachten tot leefkracht en de bange

vermoedens, angst, soms zwaar als lood,
wil mee helpen dragen, tot aan de dood.

Die jas staat je goed, met het zachte rood
van rozen zonder dorens. Het ontvangen

van dank is de grote beloning. Het brood
voor de behoeftige is vaak de lange

adem van zwijgen, kijken. Blijf omhangen  
                        
de mantel; die staat je goed, zo zacht rood.

© lenze l. bouwers

Artikel delen: