
Ik ben zo verlegen, ik weet
niet hoe ik het aan moet pakken,
maar ik kan je niet vergeten.
Je zult het zelf wel inzien;
soms kan ik niet meer praten
en sta je maar wat aan te staren.
Meid, wat ben je een schoonheid.
Ik bezorg je deze blozende rozen
en dit gedichtje,
word je gauw mien wichtje?
(een verliefde, oprechte Dalfsenaar)

