
ZIJ: Mag ik blijven liggen, mijn kind blijven staan?
Ik zie het: jij mag je gang wel gaan,
jij komt van ver uit een plaggenhut,
voor-/voorvader en verder wolverwer,
behoefige, belastingvrij;
je kent de zwaarte van het bestaan.
KIND: jij Dichter und Bauer,
sta ervoor, jij woordverwerker
en herkauw niet te veel,
dat is nu eenmaal ons dierlijk deel.

