DALFSEN – Den Aalshorst met karakteristieke componenten te weten, het 17e eeuwse stelsel van lanen en waterwegen, de rechthoekige tuin met water omgeven en de landschappelijke wandelbossen aan de oost- en zuidkant van de huisplaats. Niet te vergeten de productiebossen verder in Millingen en in het Sterrebosch. Het 18e eeuwse Aalshorsterpad begint aan de noordkant met een in baksteen gekorniste-gemetselde en met natuurstenen vazen bekroonde pijlers aan de Heinoseweg. Op de pijlers “Aals”en Horst” , hiertussen een eenvoudig spijlenhek. Na de verwoesting in 1945 is het hek in 1989 met gebruikmaking van oude elementen gereconstrueerd. De hekpijlers aan de zuidzijde van het landgoed heeft geen hekwerken meer. Halverwege buigt het pad af naar de richting van de buitenplaats. Rechtdoor, het Hoonhorsterpad is beplant met Amerikaanse eiken. De huisplaats is omgracht en het daaraan L-vormig eiland zijn uit 1644. Op dit eiland staat een zonnewijzer op voetstuk met doekfestoenen en is 19e eeuws. De rechthoekige tuin is vermoedelijk ook uit 1644 welke in drie delen is ingericht. Het noordelijk deel is een gemengde sier- en nutstuin met een grote collectie oude fruitrassen. In de siertuin slingeren paden zich rond verschillende borders. In dit deel ligt een ovale (vroeger half spiegelboogvormige) vijver. Het halfopen houten tuinprieel onder een zinken tentdak bij de vijver is in de jaren 60 van de twintigste eeuw verplaatst van de gracht bij de huisplaats. Dit prieel werd in 1908 gebouwd naar een ontwerp van A.C.A.baron van Dedem. Het staat op een bakstenen basement. Aan de rugzijde is het prieel geheel gesloten, de aansluitzijden zijn deels open. Tegen drie van deze zijden is een zitbank aangebracht. De voorzijde is geheel open en de vloer is voorzien van zwart en grijs marmer natuursteen. Aan de oostkant heeft de tuin als afsluiting een Thuyahaag en een Sitkahaag, aan de westkant is een hoge beukenhaag ingeplant. Het middendeel is door een bakstenen muur van de rest van de tuin afgescheiden, volgens een jaartal in de muur aanwezig, gebouwd in 1874. De muur is voorzien van gemetselde ontlastingsbogen en vierkante pijlers, afgedekt met een rollaag. Tegen deze muur de spalierlatten voor het leifruit en de sporen zijn aanwezig van een verdwenen muurkas voor de druiven. Op de pijlers staan nog twee siervazen. Dit deel is als moestuin en kweektuin in gebruik. Het zuidelijke gedeelte van de tuin heeft een symmetrische indeling met middenpad en twee ovale vijvers ter weerszijden en is als boomgaard met leifruit en vruchtbomen in gebruik. Binnen de ommuurde moestuin liggen vijf “koude bakken” of broeibakken genoemd die van begin 20e eeuw dateren. Een daarvan heeft een extra diepte voor de winterberging van fuchsia’s Ze zijn aan de noordzijde iets oplopend en van rode baksteen gemetseld en afgedekt met een rollaag. Op de bakken kunnen glasramen worden gelegd. Verder staat er in de tuin nog een in 1911 gebouwd tuinmanshuisje, genaamd de “looze” opgetrokken van rode machinale baksteen onder een zadeldak met trapgevels en voorzien van oud-Hollandse pannen. De trappen in de gevels zijn afgedekt met natuurstenen afdekkers en lijstwerk. In de bovenste trap iets uitkragend een console met een kopje, aan de andere zijde voorzien van een vaas. In de gevel zijn veel sier-elementen aangebracht. Het gebouwtje is in gebruik als berging en opslag voor de tuinman. In de tuin staan op verschillende plaatsen tuinornamenten. Ook bij de toegang tot het voorplein van het huis staan twee natuurstenen vazen op sokkel. De vazen zijn versierd met bloemfestoenen en een lachend en huilend masker en zijn 19e eeuws. Verder een beeld van Plutto, een 18e eeuws beeld op een sokkel. Het ventje heeft een krans van wijnranken en druiventrossen, dit beeld is geplaatst in 1910. Alle tuinornamenten zijn als zodanig van cultuurhistorisch belang behorende bij de historische buitenplaats.
WvdV







