Sallandse wiesheden, wies of onwies 4

De domste boer hef de dikste jappel (aardappels). ( Je hoeft geen opleiding gevolgd te hebben om geluk te krijgen)
Wi’j kunt wel weer ligg’’n. ( we kunnen wel weer naar bed, we zijn vermoeid)
Ieder veugeltie zingt zoals het gebekt is. ( ieder zijn eigen mening waarmee hij is opgegroeid)
I’j mut mekare uut de portemonnnee blie’m. ( je moet niet afhankelijk zijn van een ander zijn geld)
Loat oe gin oor’n aanneien. ( laat je niets wijs maken)
Hij dut ut op de pot of d’r bi’j an. (Hij houdt zich niet altijd aan de regels)
Da’s dweil’n met de krane lös. ( daar is geen beginnen aan, het is zo weer hetzelfde)
I’j kunt gien appel’s met peern vergliek’n. (Je moet wel duidelijk het verschil kunnen zien.)
Wat hef i’j toch teeng een ambtenaar, zi’j doet toch niks. (wat heb je tegen een ambtenaar ze toen toch niets)
De broodkrummels stekt ‘m. ( hij is zo zuinig dat hij zelfs de broodkruimels op eet)
Wie ’t onderste uut de kanne wil kreg ’t lid op de neuze. (wie het uiterste wil komt vaak bedrogen uit)
Die hef een pokkel vol werk verzet. (die heeft heel veel werk verzet)
Ak oe neudig binne za’k wel met ’n emmer ramml’n. ( als ik je nodig ben roep ik je wel)
Hoe meer a’j in stont reurt, hoe meer as ’t giet stinken. ( bemoei je niet met een ander zijn onhebbelijkheden)
As een katte um de hiete bri’j hen lopen drei’n. (altijd de problemen proberen te ontlopen)
As de armoed de deure in kump, giet ’t lied het venster uur.( Als er armoede ontstaat wordt het er minder gezellig)
Kraanten en almenakkn bint leugenzakk’n’. ( je moet niet alles geloven wat er geschreven wordt.

Artikel delen: