DALFSEN – Hier kan u verder lezen over De Sonsbeecker stukken, een vee-inscharingsgebied. Een deel heeft u kunnen lezen in het nieuwste Dalfsennet magazine van juni 2016, hier het vervolg.“De Sonsbeecker stukken” was het gebied groot 97 ha tussen het Overijssel kanaal en de Langsweg en eigendom van Mr. Dr. W. G. A. Van Sonsbeeck, Commissaris van Limburg, na zijn pensionering gewoond hebbende op “Huize De Hemel” aan de Stationsweg in Heino.
Het gebied is ontgonnen vanaf de periode dat ook het kanaal werd aangelegd zo rond 1853. Daarvóór was het woeste grond wat grotendeels bestond uit een moeras en dus heel erg nat. Pas na de aanleg van het kanaal bestonden er waterafvoermogelijkheden. Om water uit dit gebied naar het hoger gelegen kanaal af te kunnen voeren, liep het water eerst naar de Langsloot, ook genoemd de Dalmsholterwaterleiding. Na de verbreding van de Langsloot in de midden 50er jaren van de vorige eeuw kwam de waterafvoer pas goed op gang door de bouw van een stoomgemaal. Daarna werden er nog veel greppels en sloten door dit gebied gegraven waardoor er een weide ontstond die in de zomermaanden beter gebruikt kon worden om vee te laten lopen, hoewel dit al jaren gebeurde. Dat gebeurde door de zogenaamde vee-inscharing. Dat is vee van verschillende boeren bij elkaar in een groot gebied van ongeveer 70 ha. In de winterperiode stond vaak wel 20 ha hiervan onder water, dus kon het land dan niet gebruikt of bewerkt worden.
Herbrink Sr. was rentmeester van Mr. Van Sonsbeeck, wat rond 1960 is overgegaan aan Mevrouw Baronesse van Wijnberger-Kessenich, het gebied de ”Sonsbeecker stukken” zoals het hier in de volksmond wordt genoemd. De inscharing van vee begon jaarlijks in mei en was strak gepland, de inbreng was verdeeld in dagdelen en liep twee dagen door. Elk stuk vee moest duidelijk gebrandmerkt zijn, dat deden Mans Veneboer en Jan van de Vechte elk voorjaar, zodat elke boer zijn eigen dier terug kreeg op het eind van het jaar. Later toen dieren geschetst moesten worden, was er controle door Hein Jansen of Lorkeers en Joop Neppelenbroek. De boekhouding deed ik zelf aldus Herman. Al deze werkzaamheden heb ik na het overlijden van mijn vader in 1943, vanaf 1948 overgenomen.
Niet alleen de periode van inscharen, wat liep van 1 mei tot 1 november, ook het onderhoud van sloten en afrastering behoorde tot zijn rentmeesterschap. Natuurlijk moest er ook veel snoeiwerk gebeuren langs de sloten, dat was allemaal handwerk. De boekhouding werd zorgvuldig door Herbrink bijgehouden in een goed bewaard gebleven inscharingsboek van 1954 en een kasboek van 1941. De jaren daarvoor bleven de boeken bij van Sonsbeeck. Daaruit blijkt dat vooral pinken uit de wijde omgeving hier op de Sonsbeecker stukken werden geweid, meestal ongeveer 200 stuks. Vee in het gebied werd vergezeld van een aantal stieren waar je beter niet te dicht bij kon komen. Even tussen het vee doorlopen was niet zonder gevaar. Toch moest het vee regelmatig gecontroleerd worden, jaarlijks was er bloedtappen, soms gebeurde dit met het plaatsen van hekken of de eigenaar kwam zelf de dieren vastzetten. Het vee moest o.a. ook gecontroleerd worden op de zogenaamde runderhorzels. Dat zijn horzels die zich voortplanten onder de huid van een koe en voor ziektes en verzwakking kunnen zorgen. Als die werden geconstateerd, konden ze soms worden uitgedrukt, maar meestal moest de koe met een vloeistof, een middel tegen de horzels, behandeld worden.
Het mag duidelijk zijn dat naast een eigen boerderij van 18 ha en nog eens 70 ha inscharingsweiden dat niet alleen kan worden gedaan en er werden werknemers aangesteld.
Twee maal daags moesten de drinkbakken voor het vee gevuld worden met water dat moest worden opgepompt met 3 stuks handpompen. Een later aangeschafte windmolen voldeed niet aan de verwachtingen omdat juist bij warm weer de wind veelal wegviel en het vee dan geen drinken kreeg. Weer later zijn de 3 windmolens vervangen door pompen op een benzinemotor, wat uitstekend werkte en zijn in gebruik gebleven tot de gronden werden verkocht.
Vroeger waren er langs de kanaaldijk een aantal “wetterkolken” gegraven die jaarlijks goed opgeschoond en verdiept moesten worden zodat kanaalwater onder de dijk door kon trekken en de wetterkolken bleven voorzien van water.
Herman vertelde nog van zijn ervaring uit ongeveer 1952/53, toen iemand een poging had gedaan de 3 waterpompen uit de weide te stelen, hij zag iemand lopen en toen er op af. Maar dichterbij was er niemand meer te zien, tot hij dichterbij een van de pompen kwam en daar een verdachte liggend in een sloot aantrof. Die gaf aan binnendoor naar Heino te willen lopen en sloeg gelijk op de vlucht, doch niet zonder eerst langs de fiets van Herman te zijn gegaan en de beide banden leeg had laten lopen. Ik heb wel meteen de pomp die al half was afgebroken meegenomen. Daarna kon ik de politie bellen bij de Olde Bakker omdat we zelf geen telefoon hadden. Nadien heb ik ook de 2 overige pompen er maar afgehaald, want je weet nooit of hij later terug komt. Toen politie Jansen (altijd op de fiets) hier kwam werd mij gevraagd hoe die man er uit zag en dat heb ik hem verteld. Ik weet genoeg zij politie Jansen en ik ga hem halen. Later kwamen ze met de vermoedelijke dader, politie Jansen en als chauffeur Bertus Kleinmeuleman uit Hoonhorst. Toen kwam Jansen bij mij, ik heb iemand in de auto, wil jij zeggen of dit de dader is die in de auto zit. Dat deden ze met spiegels en ik moest zeggen of hij het wel of niet was, want ik mocht de dader wel zien, maar hij mij niet, ik heb toen gezegd hij is het. Ze kwamen de volgende dag terug bij de Olde Bakker met de verdacht en een speurhond. De speurhond vond de jas en het gereedschap van de dader en het spoor was voor de politie duidelijk. Pas twee weken later heeft hij bekend.
De inscharings-inschrijving verliep na 1960 via NV ’t Schoutenhuis te Woudenberg. De heer Munneke als rentmeester uit Ermelo voor Mevr.Baronnesse van Wijnbergen-Kessenich toen wonende te Wassenaar. Daar werden ook de inschrijfgegevens genoteerd en de tijd dat de boer met het vee mocht komen. Door Herbrink werd alles overgezet in een inscharingsboek wat per jaar werd bijgehouden in kosten en opbrengsten. Uit die boeken blijkt dat er veel vee uit de directe omgeving kwam, vooral ook omgeving Raalte, Dalfsen, Heino, Lemelerveld, maar ook uit Diepenveen. Soms waren dit melkkoeien en guste koeien, maar vooral vaarsen en pinken. De kosten voor 6 maanden inscharing bedroegen midden 60er jaren 120 gulden voor een pink tot 200 gulden voor een melkkoe. Het land was opgedeeld in verschillende stukken van ongeveer 5 ha, zodat melkvee niet tussen de stieren liep. Maar met stieren moet je voorzichtig zijn. Op een moment dat Herman eens een brullende stier hoorde, keek hij net op tijd achterom en heeft toen pas ervaren hoe hard hij kon lopen. Net voordat de stier hem te pakken had, kon hij zich onder de afrastering door laten rollen. Die stier werd de volgende dag gelijk afgevoerd. Melkkoeien kwamen vrijwel alleen van boeren uit de directe omgeving, van Veneboer, Dijkslag, Westerhof en Damman, omdat ook het (hand) melken hier plaats moest vinden en de melk in bussen, met elke boer een eigen busnummer werd afgevoerd.
Naast het toezicht op het vee, moest ook de grond bewerkt worden en wel regelmatig worden voorzien van kunstmest. Een voorjaarsbemesting van slakkenmeel en kali 40 en in het najaar weer een bemesting met slakkenmeel. Voor 1955 moest dit allemaal handmatig met een schop worden gemengd. Het stikstof strooien in de zomer dat was mijn werk, alles werd handmatig, later machinaal uitgevoerd. Wij hadden een kunstmeststrooier met 12 schotels breed en die ging in de lengte de weg over en de dammen door.
Als werknemers in dit gebied zien we in die periode eerst de namen Westerhof en Horstman, die zoal gruppen moesten graven voor 1,1/2 cent per m1, maar ook afrastering herstellen, snoeiwerk uitvoeren en sloten schonen voor 3 tot 5 cent per m1, eerst allemaal handwerk, later werd ook dit machinaal uitgevoerd. Mans Veneboer en Jan van de Vechte zijn hier vanaf 1950 komen werken. Alle lonen zijn per persoon, per week genoteerd en op de cent af goed omschreven al vanaf 1941.
Toen er eind 60er jaren plannen waren de gronden te verkopen gaf de rentmeester Herbrink die mogelijkheid, maar niet zomaar want het bleek dat er meer kapers op de kust waren. Zo had de proefboerderij een oogje op het land gekregen, maar die kon pas kopen als Herman dan op de proefboerderij het werk voort kon zetten, dat ging niet door. Op het laatst kwam nog een ander probleem uit de lucht vallen toen bleek dat het Rijk plannen had parallel aan het kanaal een 4 baans autoweg aan te leggen precies over dit land vanaf de Veluwe naar Twente, daar zijn toen tekeningen van geweest. Mijn zwager Bernard Reimert wethouder van Raalte vertelde later, de 4 baans autoweg gaat niet door de kosten zijn te hoog. Toen konden wij de grond deels kopen.
De gronden zijn in 1972 verkocht aan Herbrink, Linthorst, Morrenhof en Eshuis. Anton Morrenhof heeft de boerderij later weer verkocht aan Schroten uit Zwolle die zijn boerderij daar niet kon uitbreiden ivm stadsuitbreiding.
Hoe een moerasgebied door hard werken en veelal handwerk is omgezet naar prachtige weiden om trots op te zijn.
WvdV, met dank aan Herman Herbrink








