Deel 4 Sallands dialect

Wi’j goat noe verder met de b van babbellegoegies, of wel praatjes, opschepperij. Baffie = door mannen gedragen zwart wollen of lakens front over het boezeroen, bij vrouwen vooraan op de jurk en daarop kwam een boordje om de hals. Bakhuus= een apart gebouwtje bij een boerderij om in te koken en in de zomer om in te wonen.

 

 

Bakluchte = een olielamp bij de kachel ook wel pottenkijker genoemd, een soort lantaarn. Balg = pens, buik, balgzeerte (buikpijn bij dieren)

 

Balken = hooizolder, balkslieten of gewoon slieten = daar lag het hooi op. Beddekaste = bedstee. Bedrieten = bevuilen, zicht bedrieten van angst, bang zijn, angstig. Kiek niet zo bedretten = kijk  niet  zo sip.  Begroten = spijt hebben, een begroting maken. Beknooien = iets handig oplossen, op een duistere manier zaakjes regelen. Bekwoam = bekwaam, nuchter (vrij van alcohol). Belle = lelijk kledingstuk. Benaemen = een kind naar een der (groot)ouders noemen. Benaemp = vooral, voornamelijk.

 

Berappen = klaarspelen. Bergbeumpie = houten ronde paal, nodig bij het hevelen van een bergkap. Bergwoage = houten balk die geplaatst werd op een bergstoel om de kap omhoog te draaien. Berig =  varken die gereed is om bevrucht te worden door een beer ( mannelijk varken). Berregoanstied = tijdom naar bed te gaan. Berretog = bedovertrek. Bescheid = antwoord bericht, uitleg, daar hoef ik oe gin bescheid van te geven. Beste kamer = wc of toilet. Besteneerd = beste of mooiste kamer in het voorhuis van de boerderij werd alleen gebruikt bij visites. Bestriens + schrijlings op een baard of een fiets zitten, de benen aan een kant. Betuun = schaars. Beuren = tillen, dragen, geld innen. Beziedens = naast, bezijden. Biekaans = bijna.  Biekok = groente. Bieluchten = bijschijnen  met een lamp.

 

Bién = bieden, been. Bieste = koeien, biestevleis is rundvlees. Biester = biester weer is slecht weer, in ’n biester = in de war (dementerend). Bietip = stoffer en blik. Bie toeren = soms, zo nu en dan. Bikhoake of Pikhoake = lat met haak op het eind om bij het maaien met een zicht (soort zeis)het graan bij elkaar te houden. Bizzen, Bissen = een koe die met de staart omhoog hard door het land loopt, iemand opjagen, opjutten, schei toch uut te bizzen!  Bladhärken = hij is niet helemaol goed wies, he is ant bladhärken. Blankste billen – kieken wie de blankste billen hef = kijken wie de beste prestatie levert. Bleke = grasveldje waar de was te drogen en te bleken lag. Blekken =  blaffen van een hond, erg hoesten, de mazelen.  Blievertie = een langdurige relatie, geen eendagsvlieg, baby met weinig overlevingskansen dan werd gezegd, det is gin blievertie. Bloedbuul, linnen zak waar de bloedkoek in werd gedaan, meerstal in de vorm van een bol, bloedworst. Boam = boven, bodem.

Laeter verder met de B.

WvdV

Artikel delen: