DALFSEN – Noaberschop, burenplicht. Noabers waren in vroeger tijd moreel verplicht “mekare bie te stoan en rouw, trouw en in’t werk. Met name als er iemand was overleden en tijdens de rouwperiode moest er heel wat geregeld worden.
Een van de nabestaanden meldde een overlijden aan de “naastebuur”. Deze kreeg dan een lijst van namen door van de andere noabers en hoe laat ieder op het sterfhuis werd verwacht. Hij nam dan de leiding op zich van deze bijeenkomst, het lijk moest afgelegd worden, een timmerman opdracht worden gegeven voor het maken van de kist, de dokter voor het afgeven van een overlijdens verklaring en het gemeentehuis voor het melden wie er overleden was. Tot de kist gereed was bleef de overledene op bed opgebaard in een doodskleed. Hoe ze de begrafenis wilden hebben werd besproken.
Ook de familie moest door de noabers ingelicht worden. Dit gebeurde per fiets. Heel vaak kreeg de “aanzegger” een borreltje, soms wel eens te veel tijdens zo’n rondgang dat hij de naam van de overledene op het laatst zelfs was vergeten. De pastoor was meestal snel op de hoogte van een overlijden, ook de doodgraver moest worden ingelicht. Zodra de kist gereed was werd de overledene door de buren gekist en bij een boerderij op de heerd opgebaard. Met de begrafenis regelden de buren het transport naar de kerk, te voet of per lijkwagen met een of twee paarden ervoor. Gevolgd door een aantal tentwagens of brikken voor het vervoer van de familie en of buren. De noabers waren ook de dragers.
Ook de buurvrouwen hadden hun taak. Al tijdens de begrafenis werd het huis zo ingericht dat er veel koffieplaatsen waren en veelal vond dit plaats op de deel. Bij de plaatselijke aannemer werden lange schragen (opklapbare tafels) en banken gehuurd. Na het bidden s’avonds rond het lijk kon men hier even tot rust komen en na de begrafenis werd er koffie geschonken, met het nuttigen van het “groevemaal”. Meestal wit brood brokken met roomboter, opgediend met melk en koffie. Na gegeten te hebben en wat napraten ging ieder weer huiswaarts.
De buren vertrokken niet eerder dan dat alles in oorspronkelijke staat terug gebracht was en indien noodzakelijk werd de buur bijgestaan met het dagelijkse werk tot de rouwperiode achter de rug was.
WvdV


