HOONHORST – DALFSEN – De foekepot werd altijd gebruikt op Vastenavond, maar is nu geheel uit het beeld verdwenen. In de vorige eeuw trokken kinderen met een foekepot langs de deuren om te “bedelen”.
De foekepot werd gemaakt van een leeg groenteblikje waarover een varkensblaas was gespannen met in het midden een rietje. Door het rietje in de vochtige hand (spuug) op en neer te bewegen ontstond een roffelend geluid. Foekepotten werd voornamelijk gedaan door de jeugd in het buitengebied en in de dorpen. Later gebruikte men vaak pannendeksels om lawaai te maken.
Bij het foekepotten was men onherkenbaar verkleed en droeg men een masker. Zo trok men langs burgers en boeren om wat op te scharrelen. Vooral de boeren gaven soms royaal, van metworst tot eieren, geld en snoep. De buit was meer dan de moeite waard, er werd op die middag en avond heel wat opgehaald en opgegeten. Snoep wat over bleef ging door de vasten in de vastentrommel, in die 40 dagen mocht je niet snoepen. Ook mocht een volwassene maar een keer per dag een volle maaltijd gebruiken, dit zes weken lang.
Een aantal liedjes wat bij de foekepot werd gezongen waren;
Foekepotterij foekepotterij, geef mie een centje dan ga ik weer voorbij. ‘K heb geen geld om brood te kopen, daarom moet ik met de foekepotte lopen. Foekepotterij foekepotterij, geef mie een centje dan ga ik weer voorbij.
Maar ook; “t is vanoavond vastenoavond, sloa mar op de busse. Alle mooie meisjes hebben wat, behalve ik en mien zuster. Als mien zuster trouwen giet, dan trouwt ze met de bakker. Warme stoete met kolde botter, o, det smaakt zo lakker.
Vouw Damman is zo’n goede vrouw, geef mie een metworst gauw gauw gauw. Ik wil niet langer in de kolde stoan en mut vanoamd nog verder goan.


