Sallands dialect 27

Wi’j goat weer verder met de Slepkoare = dat was een kar op twee grote wielen en een klein voorwiel, een kiepkar. Dan goat wi’j de Slieten (sleten) op = zolder van losse balken of planken boven de deel, waar het hooi werd opgeslagen. Slief (sleef) = soeplepel. Sliere = een slungel, een rij of een sliert. Slieren = glijden. Slim = heel erg (bv ziek), slechte kwaliteit, of  slim.

 

Slobber = nat varkensvoer. Sloeken = gulzig eten, schransen, slikken. Sloerig = niet fit. Sloerig in de hoed =  b.v. buikpijn, zich niet fit voelen. Slof = niet vers, enigszins vochtig. Slok = los, niet strak, slap. Slomp = grote hoeveelheid vocht. Slonne (slonde) = werkschort. Slop = opening in de hooizolder tussen de slieten om het hooi naar beneden te gooien. Sluffies = briketten, slofjes. Sluutspèle = veiligheidsspeld. Smakken = onbehouwen lopen, smakken. Smak maken = hard vallen. Smakkerd = leperd, klap, val,  iemand die smakt met het eten. ’S Mäns = ’s morgens. Smeerkroam = vuile rommel, vies zaakje, onfrisse boel in huis. Smeeertodde = smeerpoets. Smiegelen (Smeigelen) = iemand naar de mond praten, lenig,  jeugdig, fris, smeu. Smeugeltie = kleine rakker. Smiepelen = fluisteren. Smiesterd = een geslepen iemand. Smiesterig = vuil, smering of gemeen. Smikmoezen = geheimzinnig fluisteren. Smitte = roet, zwarte roetaanslag. Smoddelen = onzorgvuldig te werk gaan. Smoesterig = vuil, smerig. Smoksen = onbehouwen lopen. Smolt = smeersel op brood gemaakt van olie, meel en zout. Smoorders, gebakken krielaardappelen. Smorrepot = koffiepot. De smorrepot stiet kloar, dus wi’j goat eerst koffie drinken.

WvdV

Artikel delen: