Sallands dialect 28

De Smorrepot (koffiepot) is leeg, dus verder met Snaaien = snoepen. Snaaierd = snoeperd, Snärre = kattig meisje. Snauwtane = grote hoektanden. Sneidig = slank. Sneijen (sniejen) =sneeuwen. Sniesel = gehakt stro. Stro werd met een snieselmachine waaraan een snieselzomp zat in kleine stukjes gesneden als paardenvoer.

Snippe = kattig meisje, oliesnip, of snip (vogel). Snipsnotterieje = kleinigheid, futiliteit. Snister = soort vuurwerk, met een snister aflopen = met een sisser aflopen. ’S ommes = na de middag. Van Nommig = vanmiddag. Snore = onderdeel van een zeis, snaar. Snorrebot  =  botje uit een varkenspootje dat men aan een touwtje kon laten snorren. Snorrepiepe = pijp vol tabaksvocht. Snotterdop = Wijsneus. Snotterig = bekaaid, neus verkouden. Soppen = morsen. Spaen = spitten. Spalteren =  vreemde beweging maken met benen of poten. Spantouw = touw waarmee de achterpoten van een koe werd vastgebonden tijdens het melken, nu gebruikt men nog een spanbeugel. Spekhässie = uitgebakken plakje spek. Spieje = speegsel, spuug. Spiejbakkie = bakje waar overtollig tabakssap werd ingespuugd bij pruimtabak. Spinne (spinde) = brood en servieskast. Spinnekop = spin. Spinnevoeten = uitgeput zijn. Spinnen = een weekje vrij in de winter voor een boerenmeid, spinnen van een poes. Sporthemp = overhemd. Sprikke = lang, mager persoon. Sprikkelties = het dunste sprokkelhout. Sproan = spreeuwen. Spullegie = klein boerenbedrijf, spulletje. Sputterlappe = spatlap, spuitlappe. Stalreppel = paal waaraan een koe werd gestald in een grupstal. Stammig = kort en gezet. Stätterig = piekering haar. Steek = snoepje, steek. Stèès = weigering van dieren om te lopen. Steildaele = loodrecht naar beneden. Stek = det stekt niet, dat geeft niet, is niet erg, steek. Stekkerie = balk in de koestal waaraan de stalreppels. Steugie = poosje.

Wi’j goat een steugie kalm aan doen.

WvdV

Artikel delen: