De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim

De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast

DALMSHOLTE – ( vervolg van Dalfsennet-magazine) De bewoners van de kleine Vennenberg in de voormalig Marke Dalmsholte hebben tot de tweede helft van de vorige eeuw geleefd in armoede en met veel wateroverlast. Dalfsennet ging met een oud bewoner in gesprek over die periode, de nu 82 jarige Hoonhorster Hein Ulkeman.

Als je dan met Hein aan de praat komt ervaar je hoeveel kennis van de geschiedenis bij hem aanwezig is. De spraakwaterval begint over zijn verre voorouders.

De vader van Hein is geboren op de Strenkhaar, ongeveer waar de Twenteweg uitkomt op de Strenkhaarsweg ,waar hij als een kötterboertje iets probeerde te verdienen. Zijn over-overgrootvader was van oorsprong wever en kwam eind 1700 als “kissieskjel” ofwel marskramer vanuit Billerbeck, omgeving Munster in Westfalen naar Nederland. Hij probeerde hier het vlaslinnen wat ze in Duitsland maakten te verkopen. Toen werd de naam Ulkeman met twee nn geschreven op het eind.

De moeder van Hein is geboren op de plaats waar ook Hein geboren is, Rechteren huisnummer E 115, nu Kortersweg op de kleine Vennenberg. Haar voorouders waren ook afkomstig uit Duitsland en zijn naar Nederland gekomen als de z.g. “Hannekemaaijer”. Dat waren losse seizoenarbeiders die hier rond 1800 bij boeren op het land kwamen werken of om te helpen met melken e.d. en soms een vaste plek vonden. De naam was Tichelhoven uit de omgeving Lahr bij Hannover. Al in 1810 woonde Peter Tichelhoven, getrouwd met Johanna van Hofstadd op de Vennenberg.

De ouders van Hein zijn in 1923 getrouwd, in het gezin kwamen 7 kinderen, 2 meisjes, waarvan de oudste nu 95 jaar is en 5 jongens, waarvan Hein alleen nog leeft en de jongste was. Al zijn broers zijn door hartproblemen, twee al op jonge leeftijd, overleden.

Een kötterboertie, totaal 6 bunder slechte grond met heuveltjes en gaten, het was hier berg en dal. We hadden 6 koeien, vanaf 1936 een paard, verder wat varkens, kippen en geiten, net voldoende om met elkaar, doch armoedig in leven te blijven. (of zoals hij zelf zegt, “net genoeg um aan het drieten te bliemm”). De melk van de geiten ging gewoon mee in de melkbussen naar de “Coodal” fabriek in Dalfsen.

Het was goed wonen op de Vennenberg, 17 geweldige buren, heel sociaal en ieder stond altijd klaar als je er een beroep op deed, ook al was het midden in de nacht met bv het koekalven. Machines, de ploeg en grasmachine, welke getrokken werd met twee paarden leende je van elkaar als het nodig was.  De ploeg was een balansploeg, dus je moest altijd rondbouwen (bouwen is ploegen), de grasmachine een Cormick Deerning, die al een oliebad had voor de tandwielaandrijving. Bij ons kwam nooit een loonwerker over de vloer.

Het was geen vetpot bij ons thuis. In de winter zaten we met z’n allen rond de grote potkachel die stond op de haard  (neerd of beste kamer) en werd gestookt met dennenhout, soms met turf of eierkolen. Hier werd in de winter ook op gekookt. Dennenhout veroorzaakte heel veel roet in de schoorsteen en die moest twee keer per jaar door mijn vader met een grote tak geveegd worden. Die kachel ging uit zodra het vee naar buiten ging en de (mei) voorjaarsschoonmaak kon dan gelijk beginnen. Dan werd de haard (neerd) alleen nog maar gebruikt bij speciale visite en woonden wij de hele zomer op de götte. ’s Avonds legden we vaak een kaartje, kruisjassen of pandoeren. Als er iemand jarig was maakte mijn moeder van volle melk chocolademelk, maar dan werd die wel met 50% water afgedund anders werd het te duur.

Bij het huis was een kleine tuin, vrijwel zonder bloemen, maar wel groente. Alle groenten kwam uit eigen tuin, zoals kool, bieten, prei, uien enz. Een groenteboer is hier nooit geweest. Ook hadden we lekkere gele en blauwe pruimen van verschillende bomen. In die jaren hebben we ook veel inlandse eikels geraapt en voor schone eikels kreeg je toen al 25 cent per kilo van een opkoper uit Zwolle.

Het fornuis stond op de delle en daar werd in de zomer het eten gekookt. Het was eten wat de pot schaft, gewoon aardappels met spekvet en eigen groente. Eigen gehakt en metworst of iets anders van een varken. Elk jaar werd er een vet varken geslacht. Het vlees ging in de pekel, de schenken werden aan de zolder opgehangen om te drogen en restanten vlees ging in de metworst. ’s Avonds laat kwam nog af en toe de brijpot (veelal gortepap) op tafel.

Het was een klein boerderijtje met twee slaapkamers. Mijn ouders sliepen in de beddestee, daaronder was de opslag voor de aardappels. Achter de beddestee was nog een kamertje waar ook een bed stond en in het opkamertje konden twee bedden staan. Op de niet afgetimmerde zolder was aan een kant de opslag voor stro en hooi en voor wat graan. Maar ook stonden op die zolder twee bedden. Wij hadden geen elektries licht en het was er dus altijd donker. Alleen een klein dakraampje zorgde in de zomer voor iets licht. Verder keek je gewoon tegen het riet aan. Je kon er komen via een ladder, eerst naar de hilde en dan verder door naar de zolder. Een trap hadden we niet.

Als je naar bed toe ging moest je de kleren op de goede volgorde neerleggen zodat je de volgende morgen in het donker er zo weer in kon stappen.

Hout werd gekocht bij de jaarlijkse houtverkoop in percelen bij Cremers in Vilsteren, dat ging per opbod. Ook rijshout (rieze) voor de kokkepot werd hier gekocht.

Groot waren de problemen op het land en op de zandwegen. Er was niets ontgonnen en de Vennenberg was een grote moeraswoestenij met stuifzand, veel wateroverlast, heide en buntegras. (russen). Overals stonden dennen, waren er heuveltjes en vennen. Vooral de Vilsterense stukken van de fam. Cremers van het landgoed Vilsteren, waar nu het zweefvliegveld ligt was erg nat, veel grote watergaten, heide, dennenbomen en het gebied werd gebruikt voor inscharingsvee. Het gebied van de kleine Vennenberg was deels in handen van de heer van de Stadt uit Dalfsen. Het werd door de Nederlandse Heidemaatschappij en het waterschap ontgonnen. Veel dennenbossen zijn gekapt vanaf 1940  en later werden de heidevelden afgegraven. De vennen werden met gebruik van lorries gedicht, alles werd omgezet tot grasland. Alleen de grote paraplu-eik aan de Kortersweg is blijven staan en staat nu nog trots op zijn oorspronkelijke hoogte. Rond 1955 werden verschillende sloten gegraven en is de Langssloot verbreed. Voor beter waterafvoer werd verderop aan het kanaal een gemaal gebouwd die het water uit het gebied kon pompen.

Hein is in 1943 naar de in 1925 gebouwde H. Hartschool  gegaan op ’t Febriek. Die school werd in 1929 opgesplitst in een speciale meisjesschool en een jongensschool in opdracht van pastoor van Wijk. Dat was in de periode dat ook het klooster in Lemelerveld werd gebouwd. Ik kreeg les van de nonnen. Op het eind van de oorlog namen de Duitsers en later de Canadezen de schoolgebouwen in bezit en moest er elders les gegeven worden, oa bij van Hoft aan de Sikkenstege, bij Gait Hekkert (Pöttie) aan de Vilstersestraat en in het verenigingsgebouwtje bij Habers naast de R.K.kerk.

De weg naar school was 5 km en op klompen was het 5 kwartier lopen, we moesten om kwart voor 8 van huis en waren dan om 9 uur precies op tijd in de klas. Na de oorlog kreeg Hein voor het eerst een fiets die zijn broer Willem kleiner had gemaakt. Die maakte van oude fietsen kleinere fietsen door er stukken tussenuit te zagen. Kleinere wielen ging hij voorzien van nieuwe spaken. Willem was de fietsenmaker voor de gehele Vennenberg, want hij volgde een cursus fietsenmaker via Remec.

Ook leverde hij wel nieuwe fietsen die hij betrok van Jans de fietsenmaker (Nijboer) uit Heino, maar daar had je vergunning voor nodig en die had hij niet. Hij kreeg een forse bekeuring van de dorpspolitie uit Lemelerveld en Dalfsen.

Lopen naar school via de Kortersweg, langs de woning van Brouwer (nu dierenbegraafplaats)  en zo door een slingerend pad door de Ölde Voart ofwel het Riet met een vlonder over de Langssloot. De Olde Voart was een leegte in het landschap die in de herfst en winter altijd vol water stond. Het liep vanaf de Langssloot achter het huis van Brouwer langs, door het land van Bernard Diepman, door tot de Dalmsholterweg. Dus dan moesten we helemaal omlopen via de Dalmsholterweg. Als we wel door het gebied konden kwamen we uit bij de Langsweg op het grune weggie (nu Groeneweg) en liepen door tot het kanaal. Dan bij Brok de stuw over en via een pad naar de Weerdhuisweg en ’t Febriek naar de Heilig Hartschool.

De gang naar school verliep niet altijd vlekkeloos omdat de leerlingen van de school Doktersbrug anders denkenden waren en er vaak ruzie ontstond. Het gebeurde vaak dat de ene of andere partij een flinke portie ”ribbensmeer” kreeg. Om niet in het kanaal terecht te komen moest je soms dwars door doornstruiken vluchten. Een keer moest een leerling van de school Doktersbrug nablijven en kwam ons alleen tegemoet. Toen hij ons aan zag komen riep hij al van grote afstand; “ik zal oe vandaege niks doen, mar dan meuj mie ok niks doen”, maar zo bang als hij was vluchtte hij dwars door de doornstruiken waarna het bloed hem langs de oren liep.

Kerkelijk vielen we eigenlijk onder de parochie Vilsteren, de parochiegrenzen waren in die tijd strak ingedeeld. Aan de overkant van de Dalmsholterweg viel het onder de parochie Hoonhorst. Maar wij gingen toch naar de kerk in Lemelerveld, later werden ook die grenzen anders ingedeeld.

Als we van school terug kwamen, was het direct de oude kleren aan en helpen op het land met knollentrekken, rogge-aren zoeken, hooi harken, jappel rapen (aardappels) die mij vader er overdag met de greep er uit gerooid had. Die werden gelijk gesorteerd in dikte, in eetaardappels, potters en krielen, de laatste werd verwerkt tot varkensvoer. Alles deden we zelf, grasmaaien meestal met de zeis, rogge met de zigt en het gewas binnenhalen met de kruiwagen. Alleen voor dorsen kwam de dorsmachine voor een paar uur en trok dan wel de hele buurt door waar je overal moest helpen.

Na de lagere school ben ik gaan werken bij Heino Krauze, waar ik twee jaar heb gewerkt en daarna tot mijn 54e jaar bij “Coodal” de melkfabriek in Dalfsen. Hier heb ik van alles gedaan van monsternemer voor het laboratorium,  in de botermakerij, technische dienst, chauffeur, heftruckchauffeur,  en monsteropname bij de boeren. Als laatste als voorman in de kaasproductie en aflevering. Met 40 dienstjaren kon ik er uit, wat aangetoond moest worden via geplakte “rentezegels”.  Die regeling werd als snel gewijzigd, dat zou veel te duur worden.

Voor de ontginning zaten de bossen hier vol met reeën, soms liepen er wel 15 bij elkaar, maar ook hazen, konijnen, fazanten en patrijzen. Ook waren er veel wulpen, valken en buizerds.

Door sommige buren werd er veel gestroopt, soms stonden de strikken langs het “Millinger sand” vrijwel man aan man. Stropers uit Almelo kwamen hier met lichtbakken om wild te vangen. Mijn vader wist ook wel hoe dit werkte en had dan een afleveradres bij een drankenhandel in Almelo voor een goed geslachte ree, waar de ingewanden er schoon uit moesten en het moest geheel keurig verpakt zijn. Op de foto’s mijn broers met twee gevangen hazen en een andere met een net gevangen ree.

 

Na de ontginning leken we eindelijk verlost van de waterproblemen, tot een grote overstroming in 1983 alles weer onder water zette. Wel waren verlost van de mulle zandwegen, we hadden in 1962 een harde weg gekregen, in 1957 zijn we aangesloten op elektriciteit, waterleiding kregen wij in 1960.

Ik en al mijn broers reden motor, dit waren vooral de merken DKW, NSU, Jawa, Sparta, BSA en Eijsink enz zie foto.

Natuurlijk ontkwam ik niet aan de dienstplicht en werd in 1956 opgeroepen bij de Garde Prinses Irene te Vught. Veel oefeningen op de Drunense duinen en wacht gelopen bij beëdigingen, bij de taptoe in Delft, diverse concoursen in Breda, ere afzettingen met Prinsjesdag en bij de aankomst van de gouden koets op het binnenhof. Wij droegen een rood uniform en witte handschoenen. (ik sta geheel rechts op bijgaande foto). Ook wacht gelopen bij de IJssellinie tussen Deventer en de Haere bij Olst. Dit in verband met een dreigende inval van de Russen. Hier moesten we ook het ondergrondse hospitaal bewaken. We stonden hier met geladen geweren.

Hein herinnert zich een geweldige buurt waar hij is opgegroeid. De grote Vennenberg was in het bezit van de graaf van Rechteren en werden de “Regterense stukken” genoemd. Omdat de graaf niet katholiek was werd er alleen aan protestanten verpacht.

De weg van Rechteren naar het Weerdhuis werd in 1909 verhard. Volgend refrein werd bij de opening gezongen. “Wat vroeger niets dan stuifzand was, is nu een weg zo hard als glas” .

De eerste bewoning van de Vennenberg zou ontstaan zijn rond 1650, toen bestond die voornamelijk uit heide- plaggenstekers voor de grotere boeren uit het gebied Rechteren.

Met dank aan Hein Ulkeman.

Het ouderlijk huis is gesloopt in 2012 en daarmee een boel herinneringen verdwenen.

 

WvdV

 

 

 

Artikel delen:
Foto's 9
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim
De kleine Vennenberg, de bewoners en wateroverlast - Foto: Wim
Foto: Wim