DALFSEN – De Indische gans, met de mooi gestreepte kop, komt oorspronkelijk van de Tibetaanse hoogvlakte waar ze nestelen in stenige gebieden. Ze ondernemen een reis van ca 4.000 km om de winter door te brengen in India. Hiertoe moeten zij het Himalaya gebergte overvliegen, dat betekent dat zij soms moeten stijgen tot een hoogte van ca 8 kilometer.
Om deze reis te kunnen volbrengen heeft de soort, ten opzichte van vergelijkbare vogels, grotere vleugels ontwikkeld. Ook kunnen zij veel efficiënter zuurstof opnemen naast een veel betere warmte regulatie. Kortom evolutionair perfect aangepast.
Vanwege hun fraaie uiterlijk wordt de soort sinds jaar en dag als siervogel gehouden. Uit ontsnapte exemplaren is ook in Nederland een zeer kleine broedpopulatie (ca 50) ontstaan. Ze vertonen hier nauwelijks trekgedrag. Het Vechtdal mag zich verheugen met een zeer kleine broedpopulatie. In de uiterwaarden van de Vecht zijn ze regelmatig te spotten, dus…….opletten.


