DALFSEN – De lente hangt in de lucht en ineens begint het te kriebelen: dit jaar ga je het doen. Een eetbare tuin. In deze Merel lees je hoe je klein en haalbaar begint. Je vindt zelf ideeën om niet in je eigen tuin te beginnen.
“Jullie mensen maken het vaak te groot. Ik begin elke dag gewoon met zoeken naar wat er is, niet naar wat er nog niet is. Kies één plek, één plant, en kijk wat er gebeurt. Meer hoeft het niet te zijn om te starten.”
Een eetbare tuin beginnen klinkt romantisch, maar kan ook overweldigend voelen. Wellicht denk je aan een moestuin en denk je aan rijen vol vakken, zaaiplanningen, schema’s en lijstjes. Voor je het weet zie je door de bonen het tuinpad niet meer. Terwijl een eetbare tuin precies mag zijn wat jij wilt dat het is. Begin klein, echt klein. Kies één of twee gewassen waar je blij van wordt en die je vaak eet. Frambozen bijvoorbeeld, of pompoenen. Die doen het vaak goed en geven relatief veel opbrengst zonder dat je er dagelijks bovenop hoeft te zitten. En of je nu een ruime tuin hebt in Oudleusen of een balkon in het centrum van Dalfsen: klein beginnen kan overal.
Merel vliegt boven de gemeente Dalfsen van hot naar her op zoek naar biodiverse en duurzame verhalen.
Wat ook helpt: denk niet alleen in eenjarigen. Een fruitbosje met vaste planten zoals bessenstruiken en fruitbomen geeft cadeaus die elk jaar terugkomen. Je zet het één keer neer en daarna pluk je er seizoenen lang de vruchten van. Dat geeft rust en vertrouwen, zeker als je nog aan het ontdekken bent hoe groene vingers eigenlijk voelen.
Minstens zo belangrijk als wat je boven de grond ziet, is wat eronder gebeurt. De bodem is je basis. Door compost toe te voegen, voed je het bodemleven en daarmee je planten. Laat in de winter gerust bladeren liggen; ze beschermen en verrijken de grond. Ook langs de randen van je tuin, waar de wind vrij spel heeft over de Sallandse velden, helpt zo’n laagje om vocht vast te houden. Ook tijdens het seizoen kun je blijven mulchen (bedekken en voeden) met groenafval. Zo droogt de aarde minder snel uit en blijft luchtig en levend.
Kies voor biologische zaden en planten. Je brengt geen ongewenste stoffen in je tuin en naar de insecten die op jouw planten vliegen en blijft het ecosysteem gezonder, onder de grond en erboven.
Misschien wel de belangrijkste tip: maak het leuk voor jezelf. Ga niet alleen voor opbrengst, maar vooral voor plezier. Zet iets neer waar je nieuwsgierig naar bent. Experimenteer een beetje. En accepteer dat niet alles lukt – dat hoort er net zo goed bij. Juist door te proberen, leer je wat werkt in jouw tuin, of die nu uitkijkt over de Vecht of verstopt ligt achter een rijtje huizen. En als je helemaal geen tuin opties hebt, kun je misschien in een andere tuin terecht. Je zou bijvoorbeeld kunnen helpen bij een van de volkstuinen, bij natuurboerderij Lindenhof of bij de sociale moestuin Groene Hof op dat terrein (https://natuurboerderijdalfsen.nl/vrijwilligerswerk.html).
Merel heeft nog een gedachte die je misschien helemaal anders naar je eetbare tuinproject laat kijken: “Ik eet bessen en vlieg daarna door. Zonder dat jullie het doorhebben, laat ik zaden achter op plekken waar ze kunnen groeien.’’ Dat doet Merel, maar ook andere vogels en insecten hebben invloed op het verspreiden van zaden en bevruchten van planten. Misschien hoef je niet eens alles zelf te zaaien, maar kun je ook kijken wat er vanzelf opkomt. Wie weet veranderen de plantjes die je eerder als onkruid zag ineens in welkome gasten in je tuin.


