Waterloopbos In het eeuwenoude Fluisterbos,op een oude eikenstronk die al jarenlang de herinneringen van het woud bewaarde. Zijn bladeren waren allang vergaan, maar zijn wortels zaten nog diep in de aarde verankerd. De stronk voelde zich soms eenzaam in de schaduw van de jonge, hittebestendige beuken die om hem heen omhoogschoten.
Op een vochtige herfstochtend, toen de nevel nog als een zachte deken tussen de bomen hing, gebeurde er iets wonderlijks. Uit de diepe groeven van het oude hout braken tientallen kleine, goudbruine wezentjes tevoorschijn. Het waren de honingzwammen, met hun fluweelzachte hoedjes alsof ze waren bestrooid met glanzend goudstof.
Ze groeiden niet zomaar los van elkaar, maar zochten steun bij elkaar. Hand in hand, steel aan steel, vormden ze een hechte familie. De grotere paddenstoelen reikten als trotse wachters omhoog naar het weinige zonlicht dat door het bladerdak sijpelde, terwijl de kleinere knopjes nog dicht tegen de veilige stam aan kropen.
Al snel werd de oude stronk de levendigste plek van het bos. Kleine bosvliegjes en kevers landden op de hoeden om te rusten, en de slakken gleden bewonderend langs de stelen omhoog. De honingzwammen brachten nieuw leven waar eerst alleen stilte heerste. Ze lieten zien dat in het bos niets echt verloren gaat; uit het oude hout ontstond een prachtig, goudkleurig kunstwerk van de natuur.
En zo stonden ze daar, badend in het zachte herfstlicht, als een warme herinnering aan de verbondenheid van het woud.
Zie hier eerder geplaatst bericht.
Femmie Smink




