Sallands dialect 8 G

Gaeren = verzamelen, Gaffeltange = oorworm, Gangs = aan de gang, of bezig zijn. Gangs goan = aan de gang baan, beginnen. Gärmschieten = garven stro in de berg gooien. Gas = 1 schoof, 6 korengarven tegen elkaar. Gassen = schoven zetten. Gäspel = gesp. Gasterd = vies persoon of onbetrouwbaar iemand.

 

Gasterig = vies of smerig. Geizelen = rennen. Gelle gure = geelgors (vogel). Gelte = jong vrouwelijk varken. Gängelen (gengelen) = slenteren, doelloos rondlopen. Gesleuns = ingewanden van een geslacht dier. Gevaer = gerij (paard en wagen). Gewönnen = ik kan er niks mee gewönn = ik kan er niets mee beginnen. Gier =  uier of natte meststof, ook genoemd aalte. Giespelen = hardlopen. Gieteling = merel. Giezel = rijp, ijzel.

 

Giezelen = ijzelen. Ginne = geen een. Gis , es gis nie = helemaal niet. Gleuijnig = gloeiend. Glieve = gleuf of kier. Gloepens = heel erg. Gloepens mooi = heel erg mooi. Goadag = een vrije dag. Goagel = gehemelte. Goande = druk of onrustig. Goande voete = lopend. Goanderweggens = geleidelijk aan. Goarok = bovenste rok bij een klederdracht. Goastok = wandelstok. Goed goan = het beste, groet bij het weg gaan. Goedsmoeds = vol vertrouwen. Götte = spoelkeuken, bijkeuken in een boerderij. Göttengat = gat in een muur van de spoelkeuken waardoor het schrobwater naar buiten kan. Graansoele = mopperpot. Grammertierig = nors, mopperig. Greuts = verwaand.

 

Laeter meer.

Artikel delen: