Greutsigheid= verwaandheid. Grienderig = guur en vochtig. Grusselties = kleine deeltjes of spliltertjes. Groevenboan = aanzeggen van een sterfgeval. Groevenmoal = broodmaaltijd na afloop van een begrafenis. Grofvae = grootvader.
Grondholt = balk op de grond van een koestal waarin de reppels staan. Veur an het grondholt zitten = aan het eind van de krachten of vermogen zijn. Gropmoo = grootmoeder. Grösnelle – scheldwoord. Grös = gras. Grote bonen = tuinbonen., ook wel dikke tien’n genoemd. Gruppe = mestgoot in de stal achter de koeien. Gruppenloper = koe die vaak met de achterpoten in de gruppe staat, zodat de uiers vies worden. Guns = ginds of gunst. Guren = het doorlaten van stof b.v in een zoldering omdat er kieren zijn.
H Haansen = handschoenen. Hächten = hijgen. Haene = haan. Haenenträd = een heel klein beetje. Haeren = het scherpen van een seis, op een klein aanbeeld, de haerspit genoemd, scherpen met een haerhaemer. Halfscheid = de helft. Halsholt = stuk hout of ijzer tussen twee paarden waaraan de hoofdstellen zijn bevestigd. Halve moane = gereedschap in de vorm van een halve maan waarmee slootkanten werden gemaaid.
Laeter meer.

