Het laatste woord vorige keer was Hoalfoes = is een haak boven het haardvuur waar een kookpot aan hangt. Hoalketten = ketting of haalijzer waaraan de ketel hangt. Hoed = lichaam (lange oe), hoed. Hoef = kapje van het brood, ook wel toef genoemd. Hoeke = hurken. Op de hoeke zitten.
Hoeken = zich niet lekker voelen, ziek zijn. Hoenderen = rondscharrelen. Hoendergat = luikje waar de kippen door gaan, vroeger zat zo’n luikje vaak in de muur voor de kippen op de hilde. Hoepe (hoppe) = groene korenhalm die als fluitje werd gebruikt. Hof =- ( groente) tuin , maar ook bloemen of kruidentuin voor de boerderij. Hondebloem = paardebloem. Houwen = slaan. Hubberig = rillerig. Huisterig = enigszins stormachtig. Humme = ga opzij (uitroep), wordt vooral gezegd tegen koeien en paarden. Huushenne = iemand die veel thuis zit. Huussie = wc die meestal buiten stond, ofwel Thuusssie.
Ie (ieje) = jij, u of jullie. Iedereis = telkens weer. Iegen (lange ie) je gemak houden, hou je gemak. Iemenschoer = plaats met open voorkant waarin de bijenkorven staan. Iene = een. Ienspan = houten frame waarin een paard liep voor de kar of wagen. Inbrekker = egoïst. Inschuinen = aanzetten tot baldadigheid. Integen = tegen, tegemoet. Nog even de J.
Jach = groot aantal, jacht, Dat is jach- daar wordt flink getrakteerd. Jaegen = rijden, jagen. Jappel = aardappel. Jappelvekaansie = herfstvakantie in de periode dat de aardappels gerooid moeten worden. Japse = flinke snee. Jochteren = herrie maken, stoeien. Joetsen = met vaaert, doorschuiven van dakpannen. Juustement = juist.
Het vervolg wordt Kaamp….

