Sallands dialect 11

Het laatste woord vorige keer was Hoalfoes = is een haak boven het haardvuur waar een kookpot aan hangt. Hoalketten = ketting of haalijzer waaraan de ketel hangt. Hoed = lichaam (lange oe), hoed. Hoef = kapje van het brood, ook wel toef genoemd. Hoeke = hurken. Op de hoeke zitten.

 

Hoeken = zich niet  lekker voelen, ziek zijn. Hoenderen =  rondscharrelen. Hoendergat = luikje waar de kippen door gaan, vroeger zat zo’n luikje vaak in de muur voor de kippen op de hilde. Hoepe (hoppe)  = groene korenhalm die als fluitje werd gebruikt. Hof =- ( groente) tuin , maar ook bloemen of kruidentuin voor de boerderij. Hondebloem = paardebloem. Houwen = slaan. Hubberig = rillerig. Huisterig = enigszins stormachtig. Humme = ga opzij (uitroep), wordt vooral gezegd tegen koeien en paarden.  Huushenne = iemand die veel thuis zit. Huussie = wc die meestal buiten stond, ofwel Thuusssie.

Ie (ieje) =  jij, u  of jullie. Iedereis = telkens weer. Iegen (lange ie) je gemak houden, hou je gemak. Iemenschoer = plaats met open voorkant waarin de bijenkorven staan. Iene = een. Ienspan = houten frame waarin een paard liep voor de kar of wagen. Inbrekker = egoïst.  Inschuinen = aanzetten tot baldadigheid. Integen =  tegen, tegemoet. Nog even de J.

Jach = groot aantal, jacht, Dat is jach- daar wordt flink getrakteerd. Jaegen = rijden, jagen. Jappel = aardappel. Jappelvekaansie = herfstvakantie in de periode dat de aardappels gerooid moeten worden. Japse = flinke snee. Jochteren = herrie maken, stoeien. Joetsen = met vaaert, doorschuiven van dakpannen. Juustement = juist.

Het vervolg wordt Kaamp….

Artikel delen: