Wei’j proat gewoon plat in dalfs’n

Sallands Dialect 12, Wei’j proat gewoon plat in dalfs’n. Wie;j begint met Kaamp= hoger gelegen stuk grond. Kaantig = netjes verzorgd. Kaenmölle = karnmolen. Kaenpad = het pad waar het paard loopt om de kaenmölle in beweging te houden. Kafmölle = kafmolen, een handmolen om het kaf van het koren te scheiden.

 

Kaste = aanduiding voor iets heel groots, b.v een kaste van een huus, een heel groot huis. Maar ook gewoon kast. Käts = helemaal of totaal. Keersenluchie = klein lantaarntje met een kaars erin. Keldermotte = pissebed. Kelte of Költe = kou. Kemel = aanduiding voor een dier wat heel groot is. Keren = vegen. Keerblik = stofblik. Maar ook gewoon keren. Kerkesproake = algemene mededelingen voor of in de kerk. Kermejanken = klagen of zeuren. Kermse = kermis, maar ook een boel kabaal om niets. Kidde, Kirre = klein paardje. Kiefte = kievit. Kiekkaste = poppenkast of televisie. Kiekoamd = Kijk en spelavond voor sinterklaas. Kiesie = kalfje. Kieuwen = halsklieren bij de mens. Kinketten = kettinkje aan ’t bit van een paard. Kissieskjel = marskramer. Kistentuug = kleding voor speciale gelegenheden, werd bewaard in een klerenkist. Kjels of keerls = kerels. Klabanus = iets groots. Klabäts = uitroep als er iets valt, boem. Klabätter’n = met veel lawaai neervallen, kletteren. Klabätse = karwats. Kladde = bepaalde hoeveelheid, of een vlek. Kladderig = miezerig, vlekkerig of kliederig. Klank = klink, of afgekneld stukje in een slang.  Volgende wekke is de klaphengst an de beurte.

Artikel delen: