Sallands dialect nr 15

Ik hoppe dat de kopzeerte weer oaver is, dus goat wie’j verder. Körken = rondhangen of klungelen. Korter bie = dichter bij. Kösteren = rondscharrelen,  licht werk verrichten. Kouwe = kooi of kauw (vogel). Kraaienneppe = ijzeren pen met  haak in gebruik bij de hooibergketting. Krabbe = schram, maar ook een sluiting op de deur (meestal hout van binnenuit).

Kraegenzaege = lange zaag waarmee bomen in de lengte worden doorgezaagd. Kralle = Kraal of een niet eetbare bes. Krange = binnenste buiten, verkeerd om, maar ook iemand die tegendraads is. Krasgat = spleet in de rokken, waaronder de rokzak (naozak) hangt. Krappe = zie Krabbe, als afsluiting van een deur. Kremelgroot = tussen jong en oud in, ook kleingroot. Krentenstoete = Krentenbrood. Krentenwegge =  een groot krentenbrood die vaak met een geboorte werd gegeven. Kribbegie = kribje,  klein kinderbedje achterin de bedstee. Kriegelkonte = vurig persoon, fitterig. Kriegen = krijgen, nemen of pakken. Krik-enten = wilde eendjes. Kris(se)bèzen = kruisbessen. Kroam = kraam, rommel, troep.

Wei’j sluut de kraom noe of en goat laeter verder.

WvdV

Artikel delen: