Salland dialect nr 16

De kraom giet weer verder met Kröate = een naar vervelend kind. Kroepholt = stuk hout om de nek van een schaap om te voorkomen dat hij door de afrastering kruipt. Krökkeln = klungelen, prutsen. Krubbe (kruppe) = voerbak of voergoot voor een paard of bij koeien. Krubbenbieter of kruppenbieter = een paard dat uit gewoonte steeds in de brubbe (kruppe) bijt.

Krulkool = boerenkool. Krullen = het gaat spannend worden, het krult er om. Kruudmoes = streekgerecht bestaande uit karnemelk met rozijnen, wordt, spek, gort en kervel. Kuierlatten = de benenwagen, lopen. Kukenachtig = dom en ondoordacht. Kulen (kuuln) rollen. Kulo = zonderling figuur. Kunnig = bekende.  Kunnig volk = bekend volk. Kunnigheid = bekendheid. Oale kunnigheid = Oude bekende. Kussentog = kussentijk, waar het kussen in zit. Kuvätte = envelop. Kwaekertie, druk geklets, kleine eenden. Kwalsteren = de keel schrapen. Kwekken = kweekgras (onkruid).

Noa de K kump de L en dat wordt de Lampenpoetser = lisdodde (plant), mar die kump laeter.

WvdV

Artikel delen: