De boekpiene is weer oaver, dut wi’j goat verder met liek = lijk of vlak, gelijk. Liekstèè = litteken. Lièn = lijden, dragen, het ies kan al lièn, het ijs is sterk genoeg. Liene = lijn of lijdsel. Wasliene = waslijn. Liespels = ruimte in het midden van de hooizolder om het hooi naar beneden te gooien.
Lippen = huilen of lippen. Löag = leeg. Loage = laag, twee loagen op mekare = twee lagen op elkaar. Loek = luik , maar ook ik ben er loek an = in ben er gek op. Kippenloek = een luik achterin een oude boerderij waar de kippen door naar binnen konden, meestal op de hilde via een kippenladder. Lökke = slungelige meid of vent. Loofharken = hi hef t’r iene hen loofharken = hij is niet helemaal goed snik, een zeer onhandig iemand. Loop = kippenren. An de loop= aan de diaree. Op de loop = hij is (gaat) er vandoor. Loopschutte = iemand die veel op pad is. Lös = open, los. Lös weer = onstandvastig weer. Lös e-neit= kapotte draad in naad van kleding. Lössen = dood kalf van een koe in stukken halen bij een bevalling, of gewoon lossen. Louw of louw mak, niet gemakkelijk, weet niet van wijken. Louwmak paard = paard wat zijn eigen gang gaat en niet wil luisteren, ofwel onhandelbaar. Louwman = onbetrouwbaar iemand. Loze = open scheur. Leusie = klein schuurtje. Luchen = weerlichten, of luchten. Luie wievenknopen = grote drukknopen. Lukken, ’t Kan zo wel lukken = het is zo wel genoeg. Luzemel = soort onkruid (melde)
Mar in de winter is er geen onkruud, dus stop wi’j noe mar weer.
WvdV

