Sallands dialect 19

Maelmöppie = biskwietje. Maksterm = uitroep, wis en zeker. Män (maen) = morgen. In de maenstied (mäntied) = in de morgen. Mangs = soms. Mangs we ait nie.= soms wel niet altijd. Manluu = mannen, ook manskjels. Märkolle = vlaamse gaai. Märteln = moeizaam karwei verrichten. Maskes = Marechaussee. Mechoggel = lelijk mens.

Meepenning = handgeld geven bij contractbevestiging meid of knecht. Meerderweggens = op meerdere plaatsen. Meervul = merrieveulen. Meespat = meestal. Meestentieds = meestal, vrijwel altijd. Melkoamp = melktijd in de avond. Melkenstied = tijd om te melken. Melkkamertie = ruimte voor schoonmaken en opslag melkgerei. Memme (Mämme) speen, tepel. De achterste memme = de achterste spenen, of altijd achteraan staan. Menaere, mekaere = elkaar. Mere = merrie (vr. paard). Meuje = oudtante. Michel = naar vervelend persoon. Miegeltie = klein, tenger persoon. Middagspot = het warme eten op de middag. Miegempe = mier. Miegen, plassen, maar ook zeuren. Miete = mijt (bult) van hooi of stro.  Riezemiete = bult takken, rieze werd vooral gebuikt onder de kokkepot en bij bakkers onder de oven. Minderzeren = verminderen. Minlijk = mager, dun, klein. Minnigsten = datum van vandaag. Missendiender = misdinaar. Moi = begroeting, hallo.

De missendienders bint deze wekken druk in de kesnach, dus doar goat wi’j dan ok mar naor toe.

WvdV

Artikel delen: