Sallands dialect 20

De misdienders hebt weer even rust en ik zeg Moi = hallo. Möllenpeerd = grote robuuste vrouw. Mollenstappe = mollenklem. Moo = moeder. Möppie = koekje of een mopje, zo kennen we de dalfsermoppen. Mot = stof, fijn afval. Motorbolle = insiminator die vroeger met de motor langs de boeren ging. Motte = moeder varken. Mulder = een soort meikever, molenaar. Mulderieje =  molenaarsbedrijf. Mute = de mute zien, verwachten.

Nachtjak = kort nachthemd. Naegelholt = rookvlees. Naekend eersien = sneeuwklokje. Näns Naens = nergens. Neers = aars. Nerig = ijverig. Nessik = net goed, de verdiende straf. Neug neudig = nodig. Neugen = uitnodigen. Loat oe niet neugen, tast toe, ga gerust je gang. Nief = zakmes, knipmes. Niej = nieuw, benieuwd. Ik ben der niej an =  ik ben benieuwd. Niejmelkt = nieujmelkte koe, een koe dit pas gekalfd heeft. Niejmoeds = modern. Niejs = nieuws. Van niejs of an beginnen = van voren af beginnen, opnieuw beginnen. Niep (hiep) = hakbijltje met handvat en breed mes. Niets = fel, temperamentvol. Nikkoppen (nikken) = knikkend groeten, maar ook wegdommelen. Noabers = buren. Nöalen = zeuren, zaniken. Nöasten = de naaste familieleden, of de naaste buren. Noazak = zak aan de naad van een rok (klederdracht). Noevendan = voortaan, nu. Nösselen = nestelen. Nösselgaegie = versteviging om inscheuren te voorkomen. Nösteren = mopperen. Nösterpot = mopperpot, brompot. Nösterig = mopperig. Nötte = noot, zoals hazelnötte, walnötte.

Noe is er gin N meer dus goat wie’j de volgende keer verder met O

WvdV

Artikel delen: