Sallands dialect nr 21

Sallandsdialect, wi’j bint ver oaver de helfte en goat verder met O, Oaren gaeren = aren verzamelen na het maaien van koren. Oas = bij de hand persoon, aas, onhebbelijk iemand. Oasem of Oam = adem. Oam kan ook een oven zijn. Oaver langs = in de lengte.

Oaverniejs = over nieuw, opnieuw. Oelenvloch = schemerdonker, opening onder de nok van een boerderij voor de uilen en andere vogels.  Oele = uil. Oeluu of Oeleu = jullie. Oftokkeren = aftroggelen. Oftrèèn = aftreden, of lengte bepalen door afpassen. Ofwinnen = de eerste zijn met gelukwensen, b.v. met Nieuwjaar. Ogenbroan= wenkbrauwen. Older = ouder, van mien older = van mijn leeftijd. Oldershuus = ouderlijk huis. Ölliekrabben = oliebollen.

Omboch = het uitschot. Onbeziens = zonder gezien te hebben. Onderdoems = stiekem. Onderhen = onderuit, hij weet d’r altied onderhen te kommen. Ondermusse = zwart mutsje onder de knip- of plooimuts. Onderschoer = inham voor de achterdeur van een boerderij. Onderwiel = ondertussen. Ondog = ondeugend. Ongemak = ziekte of ongedierte. Onverdaggens = onverwachts. Oon = onze, oon Jan = onze Jan. Oonzel = vies, onverzorgd persoon. Oonzelig = traag, futloos, slonzig. Oplappen = provisorisch herstellen.  Opschöttels = opgroeiende jongeren. Op stèè = meteen, direct, onmiddellijk. Op stik en stèè = onmiddellijk. Opzolten = inzouten, opkroppen, direct weggaan.

Okee, dan goat wi’j mar weer.

Artikel delen: