Sallands dialect nr 22

Wi’j bint al weer bie de P van Paddenschieter = ontsteking aan het ooglid. Päkkiesdraeger = bagagedrager. Panies = bomijs. Päppe = tepel. Pärtie luu (leu) = sommige mensen. Passe = goed te passé, goed humeur. Bi’j weer goed te passé? = ben je weer goed hersteld?. Te passe kom = een ongeluk krijgen. 

Det kump mie goed te passé = dat komt mij goed uit, dat kan ik goed gebruiken. Iej bint niet van passe wies = je bent niet goed wijs. Peerdespul = circus of paardenwedstrijd, manege. Peerdervolk = die veel paarden houden, soldaten te paard. Pellegäste = gepelde gerst. Pennen = in de pennen komen, kom in de benen, ga eens staan. Permetoasie = familie van bekenden. Pesseel = penseel, van pessel wèèn =  in de war zijn. Peterköntie = pietluttig iemand. Piel-ente =klein soort eend = Pieneköttel = iemand die heel erg op de centen is. Pierig = bleek, wormstekig. Pietse = twijg waarmee geslagen werd. Pietse werk = veel werk. Pikstrik = gereedschap om een zeis te scherpen. Pille = de vroegere benaming van een dokter, maar ook een pille brood = dik snee brood of roggebrood. Pisgrete = St. Margriet (20 juli). Pispot = po. Pispöttie = haagwinde (plant) of pispotje.

Doar goat wie mar eerst naor toe.

Artikel delen: