Salland dialect 24

In het Sallands sloat wie de Q oaver, die kent wie niet. Wi’j goat ok niee Rachelen = schelden. Raekoele = askuil van het open vuur. Raepe = buik of raap. Rakkerd = het menselijk lichaam. Sloerig in de rakkerd = zich ziek voelen. Rammenten = wild stoeien, ruw en krachtig bewegen. Rap en Roet = Jan Rap en zijn maat. Papklomp = een gebarsten klomp.

Rappigheid = gauwigheid. Recht(t)dag hoalen = de orde herstellen. Rechtervoort = tegenwoordig. Ree = reewild, of niet zelfgemaakte kleding. Refelen = draadjes van bonen halen, rafelen. Bidden töt oe de lippen refelt = heel lang bidden of smeken. Reikamme = luizenkam. Reppelen = donderjagen, beklimmen van soortgenoten door een tochtige koe. Reren = schreeuwen. Reupe = ruif voor hooi. Reupen = het reiken naar gras achter de afrastering. Reuren = bewegen, roeren. Richter = korter van afstand. Riege = rij. Riegt oe = sluit je aan in de rij,  houd je gemak. Rieze = rijshout. Riezemiete = stapel rijshout. Rikken = afrasteren. Rikkens = afrasteren of vrèèn. Rille = bijeen geharkte rij hooi of gras. Ritsels = ritsels in de hoed, gekke kuren hebben. Röaffie = korstje op een wond. Roazekoppen = razen, veel lawaai maken. Robeten = rode bieten. Roe = een are, een honderste bunder (10 x 10 meter). Een bunder is een hectare.(100 x 100 meter). Roegiezelen = vorst waarbij rijp ontstaat. Roepe = rups. Roepen in de moes = rupsen in de kool. Roet = onkruid. Roew en rood = onverzorgd. Roewigheid = rommel.

Wi’j goat mar eerst de roewigheid anpakken.

Artikel delen: