Sallands dialect 25

Wi’j goat van roewigheid noar Roewsten = ten roewsten = ruwweg, ongeveer. Roezen = schatten. Rok = gammel, of los. Rollemans = woonwagenbewoner. Rondumme = rondom, maar ook een grote snee van een roggebrood of krentenwegge. Popnaegel = ingescheurde nagel. Roppen = trekken, rukken, ruw afplukken. Rössen = Biezen (russen).

Russeltie = roesje, plooi. ’s Anderdaags = de volgende dag. ’s Andermaens = de volgende morgen. ’s Andersoamds = de volgende avond. Santeren = zeuren, mompelen. Santerpiepe = zeurkous. Saps = niet völle saps = niet veel soeps, niets bijzonders. Schabulen = opruimen en aanvegen rond de boerderij. Schaetsenlopen = schaatsenrijden. Schäffen = blaffen. Schäffertie = klein waaks hondje. Schärrelebongs = op schärrelebongs gaan = de hort op gaan, scharrelen. Scheid, op de scheid = op de grens. Scheidsvaore = ploegvoor op de grens van twee akkers. Schel = scheel of scheef. Schelms = oneerlijk. Schemme = schaduw. Scherpdraod = prikkeldraad.

Volgende keer naemt wi’j een scherppemuntie.

Artikel delen: