Wi’j hebt net een scherpemuntie nöm, dus wi’j kunt d’r weer fris teeng-an = pepermuntje. Scheurgerei = serviesgoed. Schier = bedorven ei (voel ei), er goed uit zien. Schieren = eieren keuren op bederf. Schieuw (schiw) = vogelverschrikker. Schinken = ham. Schitlappe = lap om de enkel van een paard.
Schol = ondiep ploegen of spitten. Schobben = schuren vanwege jeuk. Schoefdaele = directoire of dressaire. Schoer = onweersbui of zware bui. Schoft = tijd, poos, maar ook schaft of schafttijd. Schoft van een dier = de rug van een dier. Schölk = schort. Schongelen = slenteren, doelloos rondlopen. Schötte, op schötte = er zot schot is, het schiet op, of groeischeut. Schroeten = bepaalde manier van hoesten. Schroonselen = schaadwond oplopen. Schuddekoppen = nee schudden. Sì = uitroep hè. Siepeugie = bijna dichtgeknepen tranend oog. Sikke = kattig meisje, sik (geit).Simtouw = dun bindtouw (metselaarskoord). Singhoar = pezen in vlees. Slabben of slappen = morsen. Slaeteren = alles laten slingeren, morsen. Slaeterkonte = slordig persoon. Slee = wrang, stroef, of een slee. Sleiferic = slordig lijkend en onverzorgd. Slepkoare = kar met twee grote wielen en een klein voorwiel, een kiepkar.
Ik goa met de slepkoare op huus an en kom laeter terug.

