SALLAND – Wi’j waern bie de Stekkerie, det was de balk in de koestal waaraan de reppels (palen waartussen de koe staat) zitten. Steugie = poosje. Steurig = gestadig. Stiefpepier = kartonpapier. Stiefrok = werkrok bij klederdrachten. Stennen = drukken, persen, opjutten. Stiense kässen = Oostindische kers.
Stikke = ijzeren pen in de grond voor het vastzetten van een dier. Sticken = in de grond steken van takken om zandverstuiving tegen te gaan. Stikziende = bijziend. Stikdekken = gestikte deken. Stik alleend = helemaal alleen. Stille = stille van de wind, windstill. Stoalen kjel (keerl) = man die met stalen (stoffen) langs de deuren ging. Stoarok = tweede rok bij klederdrachten. Stoeken = met een smak vallen, ergens hard tegenaan komen. Stoete = brood. Stoetenpap = broodpap. Stomp = bot, helemaal totaal. Det bink stomp vergetten. Det is stomp of eknapt. Stoot = poos. Stootkaante = verdikte rand onderaan een rok. Stöppelhaene = oogstdankfeest in Raalte. Stötkoare = kar voor het vervoeren van personen en kleine vrachten. Strabant = streng. Strampe = zijtak, vertakking. Streien = strooien. Streppel = smalle strook. Striekebaand = haarband om het haar glad onder de muts te houden. Striekzwèvels = lucifer. Stroatsliere = iemand die door de straten slentert. Stultenberg = berg met onderruimte voor kleinvee of machies. Sukerwortel = voederbiet. Sinterklöasie = speculaasje. Sunt joapik = Sint jakobus (25 juli).
wi’j goat verder met de T van Taandzeerte = tandpijn of kiespijn. Tachtersteveuren = achterste voren. Tammee = straks, zo meteen. Tamper = een beetje zuur. Tentwaegen = wagen met een vaste linnen kap. Teumig = niets doend. Teunen = bij elkaar passen. Tiedkörting = tijdverdrijf.
De volgende keer goat wi’j tienderhalf = negen en een half. Tilder = schommel enz.
WvdV

