Sallands dialect 30

SALLAND – Wi’j waern estopt met de Tilder = schommel. Tip = driehoekig stuk land. Titte = vrouwenborst, tepel. Tiws (tieuws) = bijterig (bij vee) Zin hebben in een hapje. Tjoeke = slunzig, slonzig vrouwenpersoon. Tao = taai. Toanaegel = wildgroei naast de nagel. Todden = wegslepen, dragen. Toef = gedeelte boven een dichtgeknoopte zak, kuif en het kapje van een brood. Toeken = toekomende.

Toeken wekke = volgende week. Toeren = bie toeren = af en toe. Toeverdan = langzamerhand. Toezetten = neerzetten. Tiekriegen = iets gratis krijgen. Toemoalen = op rantsoen zetten. Toepakken = aanpakken, opstapelen. Tokkeren = het roepen van de kuikens door de kip. Tonnebaand = ijzeren ring rondom een ton, ofwel een hoepel. Totterig = onverzorgd, niet zo totterig = royaal, bepaald niet kinderachtig. Touwknuppel = onderdeel van een eenspan. Träffie, een meevaller. Trallats = uitgelaten. Trechte = voor elkaar, gereed, klaar. Truu = achteruit. Tugen = er geen nadeel van hebben. Tuksen = huppelen. Tullen = zuigen, sabbelen. Tundersteboam = ondersteboven. Turen = vastleggen van een dier om te laten grazen (an de stikke). Tuurhaemer, grote houten hamer om palen mee in de grond te slaan. Tuugkiste = kist speciaal voor mannenkleding als die in betrekking gaat bij een andere boer. Tweedeweggens = op twee plaatsen. Tweedonker = schemering. Tweeschiftig = Tweeërlei, in twee soorten. Noe de U

Ule = jullie, oeluu.  Ulk = bunzing, stommel;ing, merg. Ummebollen = opnieuw tochtig worden van een koe. Ummekukelen = omvallen. Ummemaeken = spitten, ploegen. Ummespaen = omspitten. Ummebouwen = ploegen. Ummestoan = omzet maken, veel werk verrichten.

WvdV

Artikel delen: