Het laetste was Ummestoan bi’j nr 30, dat was veel werk verrichten. Ummetrekken = omvertrekken of omkleden. Umslieks = al gauw, spoedig of binnenkort. Umste(ve)beurten = om beurten. Umwiel = binnenkort, bijna. Uutboeken = bol gaan staan of even rusten na veel eten.
Uutbossen = pollen in het weiland verwijderen. Uut de broek = naar de wc gaan. Uut de kloeten kommen = flink gegroeid zijn. Uutdoen = doorhalen van een rekening, of uitdoen. Uut eluut = aan het eind van zijn latijn zijn. Uutfiegelieren = uitdenken. Uutgoansdag = een vrije dag. Uutreien = luizen en neten uitkammen. Uuttrèè = uittreden. Uutstukken = het verstellen van kleding, een uitbrander geven.
Vae = vader. Vaeren = rijden, varen. Van, Wat (woar) is oe van? = wat is je achternaam. Van wekke = deze week. Vanggat = vrijgehouden ruimte waar het hooi vanaf de wagen in de hooiberg werd gegooid. Vanniejs = opnieuw. Värkensbrink = buitenruimte voor varkens. Värkensschot = varkenshok. Vastigheid = zekerheid. Vätte = pluk, sliert, vastpakken. Vedan = verder. Dom verdan, ait verdan = alsmaar door gaan. Veduite = vierduit, een halve stuiver. Vedutie = geloof, er geen geloof in hebben. Veerlen = een vierde deel. Venáem = vooral, of een voornaam persoon. Vente = jongens. Venterschop = koopwaar. Verabbelzeren = vergissen. Veraltereerd = verbouwereerd, in de war zijn. Ve(r)gangen = verleden. In de meeste woorden beginnende met VER, wordt de R niet uitgesproken. Ve(r)gangen wekke = vorige week. Ve(r) jaegen = de verkeerde weg oprijden, of verjagen. Ve(r)klongeld = verkleumd, verwaarloosd, verklungeld. Vernemstig = pienter. Verpoeren = vernielen. Verschot = opeen volgend. Verslaeteren = verliezen, verwaarlozen. Verslodderen = verslonzen. Versloeken = verslikken. Vertesteweren = vernielingen aanrichten, in de war zijn. Vervät = er op bedacht zijn. Verweien = vee in een andere wei doen, verwaaien.
WvdV

