REGIO – Meert dialectmoand, wi’j bint bienoa an het ende van ’t woordenboek, de W van Wach(t)en = wachten, de tijd hebben. Ook hier wordt in het dialect de t meestal niet uitgesproken. Waegenbröd = achterhek van een (hooi)wagen. Waegenkissie = kistje voorop de wagen, gebruikt als zitplaats en opbergruimte voor o.a. touw. Waegenrong = ijzeren steun aan een ladderwagen.
Waer, waer oe= pas op gevaar. Waeren = zich in acht nemen, opletten. Wallee = wat zeg je?. Wanne = platte mand om het kaf van het koren te scheiden. Wärf = looppad achter de koeien, dus achter de gruppe. Wasbröd = wasbord, de was werd geboend op een wasplanke met een wasbössel. Wasläppe = washandje, ook washaentie. Wasseldoek = vaatdoek. Wateroare = waterader. Watterweggens = op sommige plaatsen. Weiger = zwak, niet stevig. Welteren = zich op de rug wentelen van een paard. Wepse = wesp. Werke = te werk gaan.
Werkie = iets bewerkt. Wetteren = het vee te drinken geven. Wetterkalf = kalf dat alleen melk drinkt b.v om vetgemest te worden. Wetterkolk = drinkkolk voor het vee. Wichter = kinderen. Wied = ver, wijd. Wiederop = verderop. Wiedhen = vergevorderd. Wiedwaengs = wagenwijd. Wiedeweggens = hier ver vandaan. Wieme of Wimme = plaats op de zolder waar het vlees werd opgehangen. Wierig = winderig weer, druk, beweeglijk. Wille, volle wille = veel plezier. Wilmoeds = moedwillig. Windbuul = opschepper. Roalter wind = Raalter bluf.
Zult wi’j het vandaege hier mar bi’j loaten? Veurdet de Roalter wind anwakkert.
WvdV

