REGIO – De Roalter wind is goan liggen, dus kunt wi’j verder met Windekluppels = knuppels waar het geslacht vee aan werd opgehangen. Wippe = slaapplaats voor de knecht boven de koeienstal, op de hilde. Wipstättie = kwikstaartje. Wisse = zeker, wis en waarachtig. Wissigheid = zekerheid. Witte biejen = sneeuwvlokken. Woaraens = waar ergens, ook woarderweggens.
Woestenieje = rommel, chaos, woestenij. Wule = wij, ook wiele, wieluu of wieleu. Zachbassen = bonen met een zachte schil. Zaegemael = zaagsel. Zat, det kan zat = dat kan best, genoeg. Zegge = rietgras. Zeibel, zeibel van koffie = slechte koffie. Zich = kleine zeis om koren mee te maaien, het scherpen gebeurde met een haarhamer en een haarspit en een pilstrik. Zieje = melkzeef, thezeef. Ziejen = zeven. Zinkzoeze = klap,mep. Zal ik oe een zinkzoeze um de oorn geem?. Zinne = in ’t zinne hebben, van plan zijn. ’T schot mi’j in de zinne = ’t schiet mij net te binnen.
Uut de zinne proaten = uit het hoofd praten. Zinnig = mak, zinnig, plezier. Zodoanig = zodoende. Zoepen = drinken van een dier, zuipen. Zoerbraand = overtollig maagzuur. Zokke = zulke. Zökke = slappeling, lapzwans, sok. Zommervertrek = gedeelte van de boerderij die ’s zomers wordt gebruikt voor bewoning en in de winter als bergplaats. Zörge = leunstoel, goa mar in de zörge zitten, ga maar in de leunstel zitten. Zotte = smeervet, wagensmeer. Zuidelaar = nietsnut, dronkenlap. Verzuideld = verwaarloosd, dronkelap, geld verzuideld door drankmisbruik. Zule = zij. Zuns = ’s Zondags, of zoons. Zuut muntie = kus. Zwak = lenig. Zwälfie = zwaluw. Zwalm = walm. Zwatte = verweerde vochtige plek, zwarte schimmel. Zwiemelig = wankel, duizelig. Zwoare = zode, zwoerd, zwaar. Zwul (zwil) = bij elkaar geharkte rijen hooi of gras, maar ook eelt.
Wi’j bint noe deur het kleine woordenboek hen, mar der is völle meer, slecht un eerste anzet, mar a-j dit öllemoal kent bi’j mooi op streke. Noe ant oefen.
WvdV

