Overijsselsche Vecht: De Stuwen geschiedenis - Foto: eigen geleverde foto
Foto: eigen geleverde foto

Overijsselsche Vecht: De Stuwen geschiedenis

DALFSEN – Tussen 1907 en 1914 werden achtereenvolgens vijf stuwen gebouwd, te Hardenberg, Mariënberg, Vechterweerd, Vilsteren (Kemminckhorst) en Junne. Daarna werden in 1919 en 1921 de twee in 1853, ten behoeve van de voeding van de Dedemsvaart en het kanaal Almelo-Vecht, gebouwde stuwen, bij resp. Ane en de Haandrik vernieuwd.

 

Door de demping van de Dedemsvaart bij Ane, werd de daar gebouwde stuw in het begin van de zeventiger jaren overbodig. Zij is in 1984 gesloopt. De eigenlijke stuwconstructie bestond uit verticaal geplaatste stalen naalden – INP 30, lang 5000 – op een onderlinge afstand van 1,50 m h.o.h. in de stuwopening. Tussen deze naalden werden stalen schotten, afmetingen 1,50 m breed en 1,00 m resp. 0,50 m hoog neergelaten.

Het aantal in de stuwopening benodigde schotten werd bepaald door de waterafvoer. De schotten werden met behulp van een handbediende hijskraan verwijderd of geplaatst in de stuwopeningen. Niet gebruikte schotten werden op de stuwliggers opgeslagen. De kraan bestond uit een onder- en een bovenwagen. Ten behoeve van het verwijderen van de naalden moest de hijsdraad op een andere plaats zitten dan bij het hijsen van de schotten. Hiervoor was de bovenwagen verrolbaar over de onderwagen gemaakt.

Begrijpelijk is, dat één en ander zeer arbeidsintensief was. Voor de bediening waren 3 man nodig. Eén voor het op de juiste plaats brengen en houden van de kraan. Eén om het hijswerk te bedienen, en één om de schotten aan het hijsoog te slaan, een werk dat in het schietende water met de hijshaak van het schot in de waterstraal, wel enige ervaring vereiste.

Bij elke stuw woonde één rijksambtenaar – de stuwwachter – in een dienstwoning. Voor het bedienen van de stuw kreeg hij assistentie van z.g. “besteksarbeiders”. Aan bovengenoemde situatie kleefden o.a. de volgende bezwaren:

  1. erg arbeidsintensief;
  2. de constructie was, door de vele verticale naalden in de doorstroomopeningen erg gevoelig voor verstopping door drijfvuil;
  1. een onregelmatig peilbeheer, hetgeen bezwaarlijk werd voor de door de waterschappen geplaatste inlaatgemaaltjes, welke afhankelijk zijn van het stuwpeil.

Teneinde aan deze bezwaren tegemoet te komen werd in 1980 besloten tot een algehele modernisering van de stuwen.

De modernisering;

– Werkwijze.

Door de dienstkring werd contact gezocht met de firma JansenVenneboer b.v. te Wijhe, welke firma o.a. gespecialiseerd is in automatisch werkende stuwkleppen. De randvoorwaarden waaraan de constructie moest voldoen werden opgesteld, waarna genoemde firma de gehele engineering van het werktuigbouwkundige gedeelte verzorgde en met een voorstel kwam. Dit voorstel werd, ter controle, door de directie Bruggen van de Rijkswaterstaat doorgerekend, terwijl door het waterloopkundig laboratorium te Delft een bureaustudie werd verricht naar de voorgestelde vormgeving van de overstortrand van de klep.

Na goedkeuring van het plan, werd in mei 1980 aan de fa. Jansen Venneboer de opdracht gegeven tot het maken, plaatsen en bedrijfsklaar opleveren van een drietal stuwkleppen met bovenbouw en bijbehorende apparatuur.

Het droogzetten van de stuwopeningen en de benodigde civiel technische werken  zoals het aanbrengen van de zijaanslagen, het geschikt maken van de bestaande stuwdrempel en het waar nodig repareren van het metselwerk van de stuw, werden uitgevoerd door de aannemer van het onderhoudsbestek van de Overijsselsche Vecht, de fa. Heuvelman lbis b.v. te Delfzijl.

In de daarop volgende jaren werden deze werkzaamheden aan de andere stuwen verricht waarbij in juli 1987 het gehele programma (19 stuwopeningen) werd voltooid.

Constructie en uitvoering;

Als klep is een zogenaamde torsievrije stuwklep toegepast. De uitgangspunten voor de constructie hiervan zijn geweest:

– de afvoercapaciteit van de Vecht

door de stuwopeningen zo min mogelijk verstoren;

– de bestaande stuw i.v.m. het landschappelijk aanzicht zoveel mogelijk intact laten.

Bij een standaard torsievrije stuwklep van de fa. Jansen Venneboer (ophaalarm aan één zijde van de klep) met een dagmaat van 10 meter en een stuwhoogte van 2,50 m (stuw de Haandrik) is de diameter van de torsiepijp onder in de klep echter tenminste Ø 0,65 meter. Door de ophaalarm te verplaatsen naar het midden van de klep en het aanbrengen van een tweede torsiepijp kan de diameter van de buis en daarmee de dikte van de klep worden verkleind tot 0,273 meter.

Hierdoor bleef de afvoeropening bij gestreken klep zo groot mogelijk. De drempel – hoogte 0,30 m en voetplaatbreedte 0,90 m – is vervaardigd van plaatstaal dik 15 mm. Aan de bovenstroomse zijde is zij gestroomlijnd uitgevoerd.

 

Doordat de stuwhoogten en de hoogten tussen bovenkant van de vloer en stuwbrug niet overal gelijk zijn, verschillen de cilinders op de diverse stuwen.

De afmetingen van de door de fa. HYDRAUDYNE b.v. vervaardigde cilinders zijn: boring Ø 180 – Ø 200 mm roestvaststalen stangen voorzien van een hard chroom laag in de diameter Ø 90 – Ø 100 mm. De slaglengten van de cilinders variëren van 3250 mm tot 3600 mm.

Omdat de positie van de stalen stuwbrug ten opzichte van de stuwklepdrempel aan de bestaande situatie moest worden aangepast, en om ervoor te zorgen dat de cilinderstang zoveel mogelijk boven de waterlijn blijft, is de ophaalarm onder een hoek van 30″ met het klepvak geplaatst. De afgeronde vorm van de ophaalarm doet tevens dienst als  straalbreker.

Om te voorkomen dat bij zware ijsgang het ijs tegen de cilinderstang gaat kruien zijn op de stuwbrug voorzieningen aangebracht om de stuwklep en de cilinderstang te ontkoppelen. (Dit bleek in de afgelopen twee strenge winters een goede zaak). De klep wordt daarbij in staalkabels opgehangen aan de brug, de cilinder ontkoppeld en de klep gestreken. Vervolgens wordt zo nodig de kabel losgenomen.

Door de staalkabel meerdere malen in te scharen kan de stuwklep bediend worden d.m.v. één TIRFOR-takel met een capaciteit van slechts 32 KN. Op de hydraulische cilinder is een remklep gemonteerd voorzien van een roestvaststalen beschermkap. De remklep is direct op de cilinder gemonteerd om te voorkomen dat de stuwklep bij eventuele slangbreuk of koppeling lekkage, onbedoeld plat gaat.

De elektrische installatie (geleverd en geïnstalleerd door Brinkman en Germeraad te Dieren) is eveneens geplaatst in de kraanloods. Zij zorgt ervoor, dat het bovenstroomse stuwpeil door middel van peilelektroden en een pauze-looptijd regeling, automatisch wordt gehandhaafd. Elke cilinder wordt gevoed door zijn eigen hydraulische unit (fabricaat HYDRAUDYNE b.v.), die zijn opgesteld in de bestaande kraanloods van de stuw.

De units zijn onderling gekoppeld d.m.v. kogelkranen. Zij zijn tevens elk voorzien van een handpomp, voor een noodhandbediening. Op de units zijn voorts druk gecompenseerde stroomregelkleppen gemonteerd, waardoor de naast elkaar geplaatste stuwkleppen voldoende nauwkeurig geregeld kunnen worden. Bovendien is in de stijgleidingen van de hydraulische cilinders een drukschakelaar aangebracht, die deze betreffende unit uitschakelt, indien de stuwklep de hoogste stand heeft bereikt.

 

Overijsselsche Vecht;

– de, mede in het kader van een integraal waterbeheer, uitgevoerde en uit te voeren werken –

De Vistrap;

We kunnen de vissen in drie categorieën indelen:

  1. vissen die vanuit zee naar het binnenwater trekken (en weer terug) zoals b.v. zalm, steur, aal, zeeforel, elft en fint;
  1. vissen die in het binnenwater over grote afstanden trekken, zoals b.v. winde, beekforel, sneep, barbeel, kopvoorn, snoek, alver en anderen;
  1. vissen die slechts over kleine afstanden trekken, zoals b.v. karper, baars, brasem, zeelt, snoekbaars, blankvoorn e.a.

De aal of paling neemt hier wel een bijzondere plaats in. Hij kan zich kruipend of klimmend verplaatsen, doch kan niet boven water uit springen.

De redenen voor de trek zijn b.v. de paaitrek of het wisselend zomer- en winterverblijf, het afhankelijk van het levensstadium wisselend leefmilieu, enz. De stuwen in de Vecht vormen een barrière voor de, de rivier optrekkende vis. Uit onderzoekingen is gebleken dat het hier om vele soorten en grote aantallen gaat. De laatste jaren is de beheerder, in samenspraak met de directie van de Visserijen van het Ministerie van Landbouw ertoe over gegaan om, ten behoeve van de visoptrek in het voorjaar, de stuwen beurtelings te strijken. Op deze manier kreeg de vis de gelegenheid de rivier op te zwemmen. Aan deze methode kleven echter nogal wat bezwaren, waardoor het opgestelde programma veelal niet kan worden gerealiseerd.

In samenspraak tussen de Ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw is besloten om voor gezamenlijke rekening bij de meest benedenstrooms gelegen stuw Vechterweerd een vistrap aan te leggen. Aan de hand van de resultaten welke met deze vistrap worden bereikt, kan de beslissing worden onderbouwd om ook bij de andere stuwen dergelijke voorzieningen aan te brengen.

 

Te stellen eisen aan vistrappen;

In het algemeen kan worden gesteld dat, om de vistrekmogelijkheden zo optimaal mogelijk te doen zijn, de doorgang voor de vissen in de waterloop zo weinig mogelijk moet worden gehinderd. Voor kleinere waterlopen betekent dit, dat de vistrap zo mogelijk de gehele of een zo groot mogelijk deel van de waterstroom moet omvatten.

Bij grotere waterlopen zoals b.v. de Overijsselsche Vecht waar het hele zomerbed nodig is voor de waterafvoer is dit echter niet mogelijk en zal naar een zo goed mogelijk alternatief moeten worden gezocht. De vistrappen moeten werken in de perioden wanneer de vistrek plaatsvindt. Hiervoor zijn echter geen vaste perioden te noemen,. omdat zij afhangen van het doel van de vistrek.

De paaitrek van de zalmachtigen vindt ongeveer plaats in de periode september – januari. Die van snoek en winde in maart, terwijl de meeste karperachtigen en andere witvissen in de periode maart-juli trekken.

De precieze tijdstippen verschillen echter elk jaar. Ze worden bepaald door b.v. watertemperatuur en waterstand. Vastgesteld moet worden dat een vistrap het hele jaar moet functioneren. De belangrijkste punten bij vistrek belemmerende kunstwerken zijn:

– de voor vis niet te nemen – veelal loodrechte – hoogteverschillen;

– de voor een vis niet te bedwingen te hoge stroomsnelheden in en rond het kunstwerk.

Heel belangrijk voor de vormgeving van de vistrap is dan ook welke zwemprestaties vissen kunnen leveren, in het bijzonder de zwemsnelheid en sprongkracht. Deze zijn voor alle vissen verschillend, maar worden bepaald door o.a. de bouw en grootte van de vis. Ook zijn de watertemperatuur en de waterdiepte (“aanlooplengte”) van belang.

Globaal kan dit als volgt worden samengevat: dit betekent dat de stroomsnelheid in de vistrap niet hoger mag zijn dan 1 m/sec. en dat de te overspringen hoogteverschillen niet groter mogen zijn dan 0,20 m. Daarbij is in verband met de “aanloop” een waterdiepte van 0,5 tot 1,0 m en een lengte van tenminste 2,0 – 4,0 meter gewenst.

Vistrappen die zwemmend (dus zonder te springen) genomen kunnen worden genieten de voorkeur. Bij vistrappen welke niet de gehele stroombreedte beslaan is het ook belangrijk dat de vissen de trap kunnen vinden. In het algemeen geldt, dat de vissen tegen de sterkste stroom opzwemmen tot zijn vanwege een te hoge stroomsnelheid (1 – 2 m/sec.) niet meer verder kunnen. Dan gaan zij op zoek naar een doorgang. Bij een naast de barrière liggende vistrap (zoals bij de situatie in de Vecht) moet de uitmonding van de waterstroom van de “trap” in de hoofdstroom uitkomen. Daarbij moet deze waterstroom over een zo groot mogelijk traject van de hoofdstroom voor de vis merkbaar zijn.

 

 

Ontwerp;

Voor de vistrap naast de stuw te Vechterweerd is gekozen voor een z.g.

“Bekkentrap”.

In dit ontwerp wordt het totale te ovenwinnen hoogteverschil opgedeeld in meerdere kleine voor vissen passeerbare hoogteverschillen.

Om de passagemogelijkheid te vergroten is de overstortrand tussen de bekkens V-vormig uitgevoerd, waardoor tevens een doorstroomopening is gecreëerd.

Het verschil in waterpeil tussen het boven- en benedenpeil (resp. N.A.P. +1,25 m en N.A.P. -0,40 m) wordt over 9 vaste stuwschotten verdeeld. Het hoogteverschil tussen elk stuwschot bedraagt in dit geval 0,18 m (iets beneden het aangenomen maximum). De eigenlijke goot is ongeveer 10 meter breed op de waterlijn. De bodembreedte is ca. 4 meter en de onderwatertaluds hebben een helling van 1 :2.

Zoals reeds is genoemd hebben de stuwschotten geen horizontale overstortrand, doch verlopen onder een helling van 1 : 7 naar het midden waardoor een continue waterstroom in het midden van de goot kan ontstaan, waarvan de stroomdraad zich (door het bochtige tracé) door de goot zal slingeren. Dit geeft de vissen voldoende luwteplekken om tot rust te komen.

Aan de boven- en benedenzijde van de goot zijn voorzieningen aangebracht om de vistrap te kunnen afsluiten van het buitenwater. Hierdoor kunnen gemakkelijker reparaties aan de vistrap worden uitgevoerd. Ook kan in zeer droge perioden de waterstroom worden afgesloten. Ter weerszijden van de goot zijn horizontale gedeelten (breed 1 m) aangelegd om als voetpad te kunnen dienen bij onderzoek of onderhoud.

Om te voorkomen dat bij hoge waterstanden, wanneer het winterbed is overstroomd, de goot teveel van de afvoer naar zich toe zal trekken is er tussen de goot en het winterbed een kade aangelegd.

Toegepaste materialen;

Ter plaatse bestaat de bodem uit vrij grof zand, waardoor terdege rekening moest worden gehouden met kwel.

Voor de stuwschotten en kwelschermen is gekozen voor de toepassing van stalen damwand type “de Wendel nr.4400”. De damwand is na het plaatsen over het bovengedeelte gestraald en geconserveerd met een laag teerepoxy, dik 300 mu.

De goot zelf en de taluds zijn tegen ontgrondingen beschermd door het aanbrengen van een kunststofdoek type NICOLON 66487. Hierop is ca. 10 cm grof grind (30′ alles) gestort, waarop vervolgens basalt stortsteen 10/60 is gevleid.

De taluds van de in- en uitstroomopening van de bekkentrap op de rivier zijn door het aanbrengen van zetwerk van basalton verdedigd. Tenslotte kan worden vermeld dat ten behoeve van het voetgangers- en fietsverkeer over de stuw, een geprefabriceerde azobé- houten voetgangersbrug over de visgoot is gelegd.

De kosten van het werk hebben exclusief grondaankoop ca. f 300.000,- bedragen.

Ingezonden door At de Groot

Waterkering beheerder

Waterschap Drents Overijsselse Delta.

In het komend voorjaar is er een filmavond bij Het Boskamp in Dalfsen. Deze wordt verzorgt door in Enschede wonende filmer  die de hele loop van de Vecht van Duitsland tot Zwolle in beeld heeft gebracht. De avond trekt altijd zeer volle zalen. Daar later meer over.

 

Artikel delen:
Foto's 3
Overijsselsche Vecht: De Stuwen geschiedenis - Foto: eigen geleverde foto
Foto: eigen geleverde foto
Overijsselsche Vecht: De Stuwen geschiedenis - Foto: eigen geleverde foto
Foto: eigen geleverde foto