“Prins” Frederik Prins aan de slag over Emmen - Foto: eigen geleverde foto
Foto: eigen geleverde foto

“Prins” Frederik Prins aan de slag over Emmen

UGANDA – DALFSER EMMEN  – Zat ik te denken over mijn eerste bijdrage, waar moet ik mee beginnen om de kop eraf te halen? Heb ik juist min of meer besloten om dat over onderwijs te doen, lekker neutraal en net vorige week zijn de kerstvakanties in Uganda voorbij, sinds eind november (!!), nu stel jij voor om dat oude maar (vind ik) nog steeds leuke verhaal over mijn lagere schooltijd te publiceren.Ik heb een paar onderwijzers in de familie, en mijn Ugandese vrouw komt al helemaal uit een onderwijzers- en onderwijzeressennest. Ik ga deze dagen wat aan mijn pen likken. Maar als voorproefje, en om mezelf bij de lezers te introduceren, alvast mijn verhaal over Emmen en de Emmerschool.

Daar gaat ie:

Herinneringen aan de lagere school; 1957 – 1963 t.g.v. het 100 jarig bestaan van mijn vroegere lagere school Herinneringen aan de lagere school; 1957 – 1963

 

Onlangs werd mij gevraagd terug te blikken op mijn lagere schooltijd op de A. Baron van Dedemschool in de buurtschap Emmen (ja, verwarrend!) in Dalfsen. Mmmmmja, een “terugblik” op papier zetten, met het risico dat het nog gelezen wordt ook, door mensen die mij van vroeger misschien nog kennen. Niet dat ik tegenwoordig altijd zo lief en aardig ben, maar in mijn lagere schooltijd….. Afijn, laten we het proberen.

Het belangrijkste wapenfeit dat ik me direkt herinner vind ik nog steeds, hoewel het alweer 45 jaar geleden gebeurde, de 5 voor gedrag die ik kreeg in de 4de klas (groep 6 heet dat tegenwoordig). Dik verdiend natuurlijk, want samen met mijn buurjongens Henk Visscher en Aalt van der Kolk was ik toen echt een geweldige klier. Stiekem achterop het bord schrijven “een pond stront in de Held zijn mond” en als meester Van Helden dan een paar dagen later nietsvermoedend het bord omdraaide barstte de hel los natuurlijk. Hé, wie zou dat hebben gedaan???

Alleen zegt die 5 voor gedrag geloof ik bij nader inzien toch meer over de meester dan over mezelf. En over mijn dierbare klasgenoten, die alleen maar “ie dùrft ’t nie” hoefden te zeggen of ik klom al richting eksternest in de hoogste boom, ik had alweer de fiets van de meester op slot gezet, of had een heleboel ander kattenkwaad uitgehaald. Overigens verdenk ik mijn ouders, en met name mijn vader, ervan dat ze het eigenlijk wel prachtig vonden dat ik zo ondeugend was. Als zoon van Frederik Prins sr. uit de Marshoek had ik dan ook wel een traditie in ere te houden. Want reken maar dat ook Pa Frederik nooit zo’n Brave Hendrik was op school, eigenlijk zou hij met z’n 95 jaar eens moeten vertellen (of beter: opbiechten) wat hij allemaal bij meester Heida heeft uitgespookt in zijn jonge jaren. Maar toen ik met die 5 voor gedrag thuiskwam, merkte ik niets van ouderlijke trots!

Maar waar denk je nog meer aan, wat betreft de lagere school? Aan de wisselbeker die Derk Bloemers, Henk Visscher en ik wonnen in het kerstdamtoernooi. Alle andere scholen verslagen! En de drie strafschoppen natuurlijk, die ik er in punterde in de finale van het paasvoetbaltoernooi, georganiseerd door de plaatselijk politie. Het jaar ervoor eindigden we als laatste, maar omdat aanvoerder Jan Zielman mij aanwees voor die strafschoppen, en natuurlijk omdat onze keeper Jan van de Brink zo imponeerde dat Ankum de laatste strafschop miste, wonnen wij dat jaar. Ik kreeg een hand van meester Wynia, iets om nooit meer te vergeten. Als ik het Nederlands voetbalelftal steeds al die strafschoppen zie missen, oef, ik zou ze maar wàt graag de oren wassen!

Met klasgenoot Jan van Leussen ruilde ik wel eens speldjes en vaantjes. Ook kocht ik eens na veel pingelen en handjeklap een paar ouwe krielkippen van hem. Later heeft Jan deze handelservaring gebruikt om een eigen autobedrijven te beginnen. Ik zag hem laatst voor een lampje aan de auto, maar binnen de kortste keren hadden we het weer over die krielkippen.

Kijk tegenwoordig in Nederland om je heen en je ziet dat misschien wel 10% van onze bevolking “allochtoon” is. In principe vind ik dat prachtig natuurlijk. Vijftig jaar geleden zag Nederland er heel anders uit; ik geloof dat ik een jaar of 10 was toen ik in Zwolle voor het eerst een pikzwarte neger zag rondlopen. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden, niet vermoedend dat ik later jarenlang in Afrika en vooral in Azië zou wonen, werken en van hun gastvrijheid genieten.

Vroeger gingen we in de vakanties wel eens helemaal naar Deventer, waar we familie hadden wonen. Dan mocht je daar een paar dagen blijven “logeren” (moeilijk dicteewoord). Voor je wegging, ging je bij Opa en Opoe Lindeboom langs om afscheid te nemen, en als je na drie dagen weer heelhuids terug was, ging je dat daar vertellen. Nou, je zat natuurlijk boordevol verhalen! De familie in Deventer woonde in een straat, met straatlantaarns die ’s avonds brandden. Links en rechts hadden ze buren, voor en achter woonden mensen, aan de overkant van de straat en zelfs om de hoek woonden mensen. Het was daar zelfs niet de gewoonte om iedereen die je op straat tegenkwam te groeten; heel merkwaardig vond ik dat. De school van mijn neefjes stond een paar straten verderop, met een schoolplein en een hek. Hoe anders allemaal, vergeleken met het modderige zandpad waaraan de A. Baron van Dedemschool toen lag. Met een sintelpad ernaast, en daarnaast weer een slootje waar we de meiden probeerden in te duwen.

Van wat we moesten leren herinner ik me vooral geschiedenis en aardrijkskunde. Geschiedenis vonden we eigenlijk maar grote onzin. Al die mensen waren immers toch allang dood. Wat moest je daar nu mee? Ja, die spannende verhalen hoe de Watergeuzen op 1 april Den Briel innamen, daar hielden we wel van. En Michiel Adriaanszoon de Ruiter, in zijn blauw geruite kiel draaide hij aan ’t grote wiel, de heldenverhalen over hem vonden we prachtig. Dat je van de geschiedenis veel kon leren, dat werd ons helaas amper bijgebracht.

Aardrijkskunde dan. Ach, waarom zou je al die verre landen met al die ingewikkelde steden uit je hoofd leren? Daar kwam je immers toch nooit! Nou, “het kan verkeren” sprak Brederode (toch onthouden, van de geschiedenislessen nog wel). Ik heb het voorrecht gehad in diverse landen gewerkt te hebben. Ooit van Bhutan gehoord? Zat een koning die met vier zussen getrouwd is. Schijnt een harmonieus huwelijk te zijn. Is mij met één vrouw nog nooit gelukt. Maar daar hadden we het niet over; eind 2000 heb ik er een maand gewerkt, en als ik de kans krijg zou ik er veel langer willen werken. Maar zo zijn er wel meer landen waarvan ik pas veel later het bestaan leerde. Papua New Guinea, om maar eens een exotisch voorbeeld te noemen. Egypte, waar ik werkte op 11 september 2001, de dag van de aanslagen in de VS. Toen realiseerde ik me deksels goed dat ik me als Nederlander in het Midden Oosten veel veiliger kon voelen dan een Arabier in Nederland. Maar dat ik later mee zou werken aan de bouw van zo’n 25 scholen in Afghanistan (van de duizenden die er nodig zijn….), met name voor meisjes, dat had ik nooit kunnen dromen vroeger!

Overigens zijn er veel “Belgenmoppen” in Egypte (vooral over Zuid-Egyptenaren), en in Afghanistan hoorde ik deze: Hoe kun je Allah aan het lachen maken? Antwoord: vertel Hem je plannen.

Wij, de jongens van mijn klas, vonden meisjes maar vreemde wezens. Daar wilden we het liefst niets mee te maken hebben. Ik herinner me de grootste vernedering die ik ooit op de lagere school heb gehad: ik moest eens naast een meisje zitten. Ik weet niet eens meer waarom, en wie het was, Alie Knapen, Gerrie van Leussen of misschien Henny Bosch? Ik kon wel janken. Maar als echte jongen deed je dat natuurlijk niet, ze mochten eens denken dat je geen “echte jongen” was; meisjes mochten huilen, jongens niet.

Waar ik ook aan moest denken zijn de verwijten van de leerkrachten dat mijn oudere zus en broers allemaal zoveel braver waren dan ik. Ik geloofde er eerlijk gezegd niet zo gek veel van (want ik kende hun streken!), maar toch. Meester Wynia wilde nog wel eens Psalm 146 vers 2 citeren als ik weer eens ondeugend was geweest: ”vest op Prinsen geen vertrouwen” (in de toenmalige versie, ondertussen komen in de nieuwe berijming geen “prinsen” meer voor).

Mijn klasgenoten zaten me bij voortduring te pesten met de Adam’s en Eva’s fiets waarmee ik de buurt onveilig maakte. Ik was allang blij dat ik een fiets hàd, dat-ie niet tot de modernste behoorde vond ik helemaal niet belangrijk. Maar dat getreiter over mijn fiets, daar is de nodige trammelant en ruzie wel uit voortgevloeid. Hoewel, als het niet over die fiets was gegaan, dan was er wel een andere aanleiding gevonden om te bakkeleien. Ruzie was nou eenmaal onvermijdelijk; het hoorde er gewoon bij.

Zoals ik me de lagere school van 1957 – 1963 herinner, heerste er ondanks de ruzies die we als schooljeugd uitvochten, toch een vredige harmonie. Omdat klasgenoten ook elkaars buren waren, en vaak ook nog elkaars familie, zorgden onze ouders er wel voor dat die ruzies nooit ontaardden in grote conflicten. Wat mezelf betreft was daar ook weer een nadeel aan verbonden: als ik weer eens ondeugend was geweest wisten mijn ouders het allang, ver voordat ik het had kunnen verzwijgen. Misschien maar goed ook, want anders had ik voor gedrag vast en zeker nog wel veel lagere cijfers gehaald dan die ene, toch wel prachtige 5!

 

Grote Groet, Freek

Artikel delen:
Foto 1