Nieuw bericht van Dalfsenaar Frederik Prins van uit Uganda

UGANDA – DALFSEN – Waarom ver weg gaan werken? Waarom ga je, en blijf je, als Dalfser boerenzoon je hele actieve leven in de tropen werken en wonen? Goeie vraag! De vraag is makkelijk zat, maar het antwoord is stukken moeilijker te geven. Laten we bij het begin beginnen. Ruim 50 jaar geleden alweer, vanaf dat ik zo ongeveer 15 jaar was wilde ik in ontwikkelingslanden gaan werken.

Voor hun 25 jarig huwelijk hadden onze ouders een tv gekregen, zwart – wit, met twee kanalen: Nederland 1 en Nederland 2; je kunt het nu amper meer voorstellen. Als – toen al – verwoed krantenlezer was ik redelijk goed op de hoogte wat er in de wereld aan de hand was, maar nu zag je het ‘live’ in de huiskamer: honger, geweld, narigheid, ellende en verdriet. Met calvinistische bezieling wilde ik er iets aan gaan doen.

Eerst wilde ik nog even zendeling worden, maar daar ben ik (“de hemel zij dank”) vrij snel van afgestapt, vooral vanwege het toekomst perspectief. Als je later kinderen krijgt die naar de middelbare school gaan, moet je zelf eigenlijk wel mee, en wat kun je doen als je als ex-zendeling in Nederland terugkomt: inderdaad, weinig anders dan dominee worden. Ik mocht er niet aan denken! Dus ben ik gewoon in de landbouw bezig gebleven, daar heb ik me altijd prima thuis gevoeld.

Na de HBS (tegenwoordig: atheneum) kreeg ik de kans om met een beurs in Wageningen te gaan studeren. Toen ik daar begon was het denken over ontwikkelingshulp nog precies dat: hulp. Overdreven gesteld: mensen in arme landen hoefden eigenlijk alleen maar hun hand op te houden, en wij rijke westerlingen, in onze gulheid, deelden wel aalmoezen uit. Die situatie is ondertussen volkomen veranderd, en daar kunnen we met z’n allen niet blij genoeg mee zijn.

De heersende tendens was toen vooral om een blauwdruk te maken van ons model van ontwikkeling en dat door westerse “deskundigen” (“voor hen, over hen, maar zonder hen”) uit te voeren elders in de wereld. Pas geleidelijk aan begon de “participatieve benadering” door te sijpelen en werd aan de leden van de doelgroep gevraagd mee te denken, mee te praten, mee te beslissen en mee te doen. Zelfs: mee te betalen, ook al is het soms niet meer dan een symbolische bijdrage. In de loop der jaren hebben we geleerd om samen de schouders te zetten onder armoede- en onrechtbestrijding.

En, niet minder belangrijk, om vrouwen te betrekken in alles wat hen aangaat. Dat is gewoon: in alles. In Nederland ging dat bepaald niet van een leien dakje, in de ontwikkelingslanden waar ik werkte ook niet. Toch begon het betrekken van doelgroep leden, met name van (arme) vrouwen, maar ook kwetsbaren, o.a. gehandicapten, jongeren en etnische minderheden, in de planning en uitvoering van ontwikkelingsprojecten geleidelijk aan vorm en inhoud te krijgen. Het ging langzaam, maar zeker. Het ging bij stukjes en bij beetjes. Het ging met vallen en opstaan. Maar: het ging! Nog steeds hebben we een lange weg te gaan, maar: gaandeweg en al doende leerden we, en verbeterden we onze aanpak.

Maar niet alleen het denken over ontwikkelingslanden is veranderd. Ook zijn de omstandigheden en de mogelijkheden, in alle opzichten, anders geworden. Meest in het oog springend: computers / laptops, internet en mobiele telefoons kenden we niet: nu zijn ze niet meer weg te denken, zelfs onmisbaar geworden, óók in ontwikkelingslanden.

Vijftig jaar geleden gingen westerlingen vol ambitie dingen naar hun hand zetten in ontwikkelingslanden. Tegenwoordig doen mensen uit die landen het zelf; hooguit leveren westerse donoren nog TA – Technical Assistance (kennis en ervaring) en geld (“fondsen” in het jargon), dat ondertussen niet meer uitsluitend door westerlingen wordt beheerd, maar voornamelijk door mensen uit ontwikkelingslanden zelf. Wel, door ervaring wijs geworden, met een controle mechanisme: we zijn wel goed maar niet gek.

Gedurende deze tijden waarin alles veranderde heb ik met passie en met verve in veel verre landen gewerkt en geleefd. Met rijke stinkerds ben ik opgetrokken, gelukkig veel meer en veel intensiever met arme drommels; soms met weinig gemotiveerde overheidsdienaren, veel vaker met mensen van andere (I)NGOs – (Internationale) Non Governmental Organisations; niet-overheids-organisaties. Met mensen uit de privé sector, met internationale collega’s, maar het meest met “lokale” mensen uit de landen waar ik op dat moment werkte. Sommigen werden vrienden voor het leven, anderen konden mijn bloed wel drinken; andersom niet veel anders.

Terugkijkend op wat ik in 45 jaar heb gedaan: in mijn studententijd was dat veel reizen, met weinig geld maar veel tijd. Later had ik wat meer geld, maar minder tijd. Terugkijkend overdenk ik vooral mijn werk, de basis van waarom ik naar verre landen reisde. Over wat ik geacht werd te doen, wat er van terecht kwam, wat niet, en welke problemen ik zoal tegenkwam. En hoe het me lukte over hoge bergen te klimmen om het doel, de overkant, te bereiken. En hoe ik soms ook over nietige molshoopjes kon struikelen. Niet zo gek veel anders dan in Nederland dus.

Misschien een beetje dom, wie weet ook juist geniaal: ik heb mijn “carrière” nooit gepland; het is me (net als het leven) overkomen. Zonder enige vorm van spijt overigens! Ik kan het iedereen afraden om te doen zoals ik het heb gedaan, maar ik heb het nu eenmaal zo gedaan. Als ik het al zou willen (NEE!): er is geen weg terug. Ik kan het niet overdoen.

Terugkijkend op mijn loopbaan, toch merkwaardig: in principe ben ik een marathon loper, geen sprinter. En een team speler, zegmaar: voetballer; bepaald geen (individuele) tennisspeler. Toch ben ik vaak van het ene naar het andere land gereisd, en van de ene naar de andere werkgever gegaan. Vooral omdat ik nu eenmaal een onrustige natuur heb en van verandering en avontuur houd, maar ook door toeval. In de loop der tijd had ik een zekere reputatie opgebouwd, ik had geen hoge financiële salaris-eisen en was niet te benauwd om naar minder aantrekkelijke landen als Bangladesh, Afghanistan, Somalië en Jemen te gaan. En tenslotte ben ik altijd van vele markten thuis geweest; ik ben een typische “generalist” die niet gebonden is aan één bepaald vakgebied.

Gelukkig: misschien wel twaalf ambachten, maar veel minder dan dertien ongelukken!

In mijn beginjaren in de tropen rolde ik van de ene baan in de volgende; later heb ik bewust een paar korte “consultancies” gedaan en bleef er bijna in hangen. Toen ik wat ervaring had gekregen als korte termijn evaluator / beoordelaar / adviseur, kwam ik amper nog in aanmerking voor langere banen. Mede daarom, en omdat jongeren nu eenmaal veel handiger zijn met computers, moest ik de laatste jaren gewoon solliciteren. Doorgaans was ik blij aangenomen te worden; hoge eisen stellen kon ik niet, zo ik het al gewild had.

Maar overal waar ik was heb ik ook geleefd. Ik heb gegeten en gedronken. Ik heb met collega’s en wildvreemden gepraat. Ik heb in dure hotels en in hokken om de hoek geslapen. Ik heb over markten gestruind, heb eindeloos moeten wachten, het meest van alles op vervoer. Ik heb gelachen en gehuild, ik ben op feesten en begrafenissen geweest (en weet uit ervaring dat begrafenissen in Afrika vaak veel gezelliger zijn dan huwelijken in Nederland), ben letterlijk en figuurlijk over hoge bergen en door diepe dalen gegaan.

Ook privé: ik ben getrouwd, het raam hoefde maar op een kier te staan of de ooievaar vloog weer binnen; we zijn gescheiden, ik had nieuwe relaties en vond uiteindelijk Het Grote Geluk: De Ware Liefde. Werkelijk? Te mooi om waar te zijn?!? Of niet, en alleen maar zo lang het duurt? De tijd zal het leren!

Voor wie interesse heeft: ik heb over mijn ervaringen een boek geschreven: “Dichter bij Veraf”. Voor 1O Euro krijg je ‘m opgestuurd. Of gratis voor niks krijg je ‘m digitaal. Laat het me maar weten: frederikprins14@gmail.com.

Waarom heb ik eigenlijk dat boek geschreven? Omdat ik graag schrijf! Want wie schrijft, blijft. Ik vond het gewoon leuk om mijn ervaringen op te schrijven. Ik hoop dat er meer mensen zijn, veraf en dichtbij, die het ook leuk vinden om met een zucht en een traan, maar vooral met een glimlach, kennis te nemen van mijn ervaringen: ter leringh ende vermaeck. Vooral ter lering, om eraan herinnerd te worden dat ook in andere landen mensen wonen die weliswaar een beetje andere gewoontes en overtuigingen hebben, maar verder niet zo gek veel verschillen van ons in Nederland: dat ze daar ook geld moeten verdienen en dat geld uitgeven, dat ze daar ook eten, drinken, kinderen krijgen en helaas overlijden.

Dat is ook zo ongeveer de teneur van waarom ik het nog steeds interessant vind om in ontwikkelingslanden te werken, zij het op een wat lager pitje. Ik ben 68 en word niet meer gevraagd voor jobs. Heel vervelend, want er is nog genoeg werk aan de winkel en ik heb nog voldoende energie om hard mee te werken. Het is niet anders! Ik maak vaak grapjes over mijn leeftijd: als je boven de 60 bent gebeuren er drie dingen met je: het eerste is dat je geheugen minder wordt; het tweede en derde kan ik me helaas niet meer herinneren. Maar alle gekheid op een stokje, mijn geheugen gaat er inderdaad niet op vooruit. En ook al voel ik me nog steeds “jong”, lichamelijk ben ik ook niet meer even sterk als pakweg 20 jaar geleden. Dus ben ik blij om zo af en toe een stukje te mogen schrijven voor Dalfsennet; het houdt me van de straat.

Momenteel geniet ik ervan terug in Uganda te zijn, voornamelijk om als vrijwilliger een paar kleine organisaties te helpen, o.a. met het schrijven van project voorstellen en fondsenwerving. Ik hoop een volgende keer wat meer te schrijven over deze bezigheden en bezigheidjes.

Frederik bedankt namens alle kijkers van Dalfsennet.

Artikel delen: