Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto

Een vergeten hoekje van Salland

LAAG – ZUTHEM – DALFSEN – LENTHE – Ingezonden  door vrijwillige journalist Wim Jansen, Goedemiddag. Onlangs stond er een stukje op Dalfsen net over Lutje Schipholt en Park Immenhorst. Daar ben ik even op zoek naar gegaan op internet en toen kwam ik een leuk stukje tegen waarbij hij Lenthe en de buurtschappen daar omheen in de jaren’50 en zijn geschiedenis mooi beschrijft.

Deze positieve toeristische informatie kwam hem natuurlijk zelf ook goed van pas voor zijn vakantiepark Immenhorst. (Foto`s en informatie bron Delpher)

Een vergeten hoekje van Salland

Auteur J. H. LUTJE SCHIP HOLT  (uit De wandelaar in weer en wind 1-12-1955.

Ten zuiden van de Vecht, behorende tot de gemeenten Ommen en Dalfsen, ligt een stukje van Salland, dat uitmunt door zijn prachtig en zeer afwisselend natuurschoon. En toch is het zo weinig bekend. De grote autowegen gaan er aan voorbij en de rijwielpaden zijn nu ook niet zo, dat men er gauw toe komt, deze in te slaan om er eens een kijkje te nemen. Voor de wandelaar en de natuurliefhebber, die er op uit zijn om mooie rustige plekjes te ontdekken, zijn er vele te vinden. En het loont dan ook zeker de moeite er eens rond te dwalen. Er is een rijke flora en fauna, men vindt er planten en dieren zowel van de Vecht- als van de Yselstreek. Eentonig is het landschap niet. Er zijn uitgestrekte dennebossen, daartussen heidevelden met vliegdennen en prachtige jeneverbesstruiken. Dan weer lage weiden of golvend bouwland. En stuifbelten en kleinere hoogten accentueren een en ander. Dorpjes van betekenis vindt men er niet. Vilsteren is het meest bekende.

Het is een schilderachtig dorpje met een aardig pleintje. De kerk verheft zich groot naast de lage, oude herberg en dorpswinkel, tevens de bakker en winkelier, waar men van alles krijgen kan voor de voornaamste levensbehoeften van de omwonende bevolking. Een smid woont er en de nog in tact gebleven korenmolen zwaait er zijn wieken in de lucht. Achter het geboomte ter zijde ligt het „Huize Vilsteren”, binnen de gracht, een al meer dan 500 jaar bestaand landgoed. Iets dergelijks is Hoonhorst, maar veel kleiner. Ook hier is de kerk het middelpunt en wat winkels er om heen. En het huize „De Hoonhorst” op de hoogte gelegen in het bosch benoorden het plaatsje.

Rechteren is alleen het kasteel met enkele omringende boerderijen. Voor de rest zijn het de buurtschappen: Lenthe, Emmen, Millingen, Rechteren, Hessum, Vilsteren, Gietmen. Elk met een aantal boerderijen en een enkele havezathe, of spiker (een buitenhuis van een of andere adellijke familie) daartussen. Elke buurtschap heeft zijn es, dat is het bouwland en de marslanden als het wei- en hooiland. En door die mars stroomt een wetering. Het Dalmsholt sluit dit gebied in het zuiden af. Het is nu een grote weidevlakte, maar vroeger was het een ontoegankelijke woestenij, moerasland, begroeid met els en wilg, die pas laat is ontgonnen. De omringende marken hadden er hun aandeel in. De boeren mochten er hun vee laten weiden en er kwam ook nogal wat brandhout uit. Toen het Almelose kanaal er midden door werd gegraven (1855), was een betere afwatering mogelijk. Er waren ondertussen al wegen aangelegd, één in de volle lengte er door heen, de Langsweg, van het uiterste westen bij het Doevelerslop aan de nu verharde weg Heino—Dalfsen tot aan de Lemelerberg in het oosten. En twee dwarswegen: de eerste van Rechteren tot de Veldhoek aan de Twentseweg en de andere van Vilsteren tot de Woldhaarshoek. Het Dalmsholt was nu begaanbaar. Elke buurtschap heeft zijn es, het bouwland. En zo hebben we de es van Emmen, van Millingen, van Hessum, van Vilsteren. Opmerkelijk is, dat aan de andere zijde van het Dalmsholt de naam es niet meer voorkomt voor het gemeenschappelijke bouwland, daar is het „enk”. Zo zijn onder de gemeente Raalte te vinden: de Rameler en de Pleegster Enk en kent Heino noch het één noch het ander. Deze essen zijn het oudste bouwland, de latere ontginningen hebben hun bouwkampen. En deze oude kampen liggen nog heel vaak in hun begrenzing van hakhoutwalletjes of -singels, met oude knoestige knoteiken, maar ook met de krentebomen en Amerikaanse Vogelkers, deze vreemdelingen, begroeid.

De bloeiende krentebomen omgeven in het vroege voorjaar deze singels met een witte bruidssluier. Een bijzondere aantrekkelijkheid in die tijd van het jaar voor deze streken en voor de natuurminnaar. De krentebomen werden in de 17e eeuw op het landgoed Eerde aangeplant en volgens deskundigen is dat de oudste aanplant in Nederland. Vandaar uit zijn de zaden door de vogels over de hele streek verspreid. Ze kiemden snel en de struiken groeiden voorspoedig in de humusrijke bodem van de singels. Haast nog doller als de vogels zijn de kinderen op de bessen van de krenteboom. Het is alleen maar jammer, dat daarbij zo dikwijls de hele boom wordt vernield, doordat de takken scheuren wanneer de kinderen de laatste vruchtjes proberen te pakken aan de uiterste einden van de takken. Behalve het bouwland is er ook bij het boerenbedrijf het weiland noodzakelijk. De kleinere kampen liggen niet ver van huis, maar de hooilanden, de marslanden zijn dikwijls zeer ver afgelegen. Deze laatste zijn uitgestrekte gebieden, de eerste daarentegen klein, vroeger altijd en nu nog dikwijls omgeven door een doornhaag om het vee binnen de perken te houden, zoals ook de houtwal om de akker het vee er buiten moest weren. Helaas worden en houtwal en doornhaag meer en meer opgeruimd en gerooid om plaats te maken voor een prikkeldraad. Men heeft dan wel een beetje grond gewonnen, maar het natuurschoon heeft een aanmerkelijke schade geleden. En de vogels en ander gedierte hebben een prachtige nestgelegenheid en beschutting verloren. De oude, met riet gedekte boerderijen (er zijn er nog bij uit de 17e eeuw), hebben uitwendig nog hun oude voorkomen bewaard. Hun met groenbemoste daken steken maar nauwelijks bij de omgeving af. Ze liggen bovendien ook nog verscholen achter een paar geschoren lindebomen en de vreemdeling meent dan maar weinig woningen te vinden. En dat zijn dan de nieuwe met hun fel rode pannen daken, die het eerst opvallen. Inwendig zijn die oude woningen echter wel aan veranderingen onderhevig geweest. Ze hebben zich moeten aanpassen aan de veranderde bedrijfsmethode en de veranderde levenswijze.

Het open vuur treft men niet meer aan. Een enkele maal vindt men nog wel de overblijfselen aanwezig. De verhoogde vuurplaat ligt er dan nog onder de schoorsteen en een koperen of ijzeren haardplaat staat achter tegen de muur aan. Er is nog wat koperen haardgereedschap. De haard, de „heerd” leeft als zodanig alleen nog voort in de naam van het vertrek, waar hij zich vroeger bevond. De „heerd” is nu dikwijls de „mooie” kamer geworden. En huist men uitsluitend in het „sommervertrek”, een woonruimte tussen de heerd en de götte. De götte (goot) is de plaats waar gespoeld en gewassen wordt en waar meestal ook de pomp is. Er zijn maar weinig boerderijen, die een welput voor het huis hebben met een putboom e.d. Behalve de in latere tijd aangelegde wegen, en waarvan ik er al enkele genoemd heb, gaat er ook nog een merkwaardige oude weg door deze landstreek. Het is een zeer brede zandweg en ze wordt de „Diezerstraat” genoemd (onder de gemeente Dalfsen) en verder de „Zwolse Weg”. Straat, en het is niet eens een verharde weg. Hoeveel toeristen hebben al niet naar deze Diezerstraat gezocht. Op de kaart aangegeven, konden ze toch maar niet die straat vinden. Ze zochten steeds een verharde weg, en als ze geluk hadden, kwamen ze tenleste op deze mooie brede zandweg terecht. Dat „straat” wijst er op, dat deze weg al heel oud moet zijn. Ten tijde van Karei de Grote werden de z.g. Karolingische wegen aangelegd. Deze wegen verbonden de koninklijke goederen, de koningshoven en ze heten daarom ook wel „koningsstraten”. De koningshoven dienden o.a. tot inning der pachten van de omringende bezittingen en tot pleisterplaatsen en overnachting van degene, die één en ander kwam inspecteren. Ze lagen daartoe op bepaalde afstanden, dagreizen, van elkaar. Zo ongeveer een 20 km. In Olst was zo’n koningshof, verder de Hof te Irthe en de Hof te Archem. De Ierte is nu nog een kapitale boerderij even bezuiden de straatweg Heino—Zwolle bij de Hagensteeg. Een eeuwenoud erve. Het wordt reeds in 947 vermeldt als de Hof te Irthe in de marke van Lenthe. Van de Hof Irthe naar de Hof te Archem zal dus een koningstraat hebben gelopen. En we vinden deze terug als de Diezerstraat in de gemeente Dalfsen.

De Diezerstraat is dus een oude koningstraat geweest. Hoe men aan de naam „Dieze” gekomen is, is nog niet vast te stellen. In geen geval zal dit afkomstig zijn van de buurtschap Dieze bij Zwolle en waarna één van Zwolle’s winkelstraten zijn naam draagt, de Diezerstraat die ondertussen reeds in 1329 al genoemd werd. De buurtschap of de marke Dieze heeft zich nooit uitgestrekt tot hier. Mogelijk bestaat er verband met een in 1382 genoemd goed „te Deze”, als leengoed van de bisschop van Utrecht, in de marke van Emmen gelegen. Later, in de eerste helft der 17e eeuw behoorde een havezathe „Deese” toe aan Swier van Haersolte, Drost van Salland. Vermoedelijk verkeerde het huis toen al in verval, want in 1740 werd het recht van havezathe van Deese verlegt op een ander huis binnen het kerspel van Dalfsen. Nadien komt Deese niet meer voor en waar het gelegen heeft, weten we helaas niet. Wel is waar lag het in de marke Emmen, terwijl de Diezerstraat langs de marke Milligen of Rechteren liep en grensde aan de Lentermarke. Maar toch nog al ver van de Emmermarke is gelegen. Het is mogelijk, dat de grenzen heel vroeger anders gelopen hebben als in de latere eeuwen. In ieder geval is de naam geen bedenksel van de laatste jaren, want in 1696 komt hij reeds voor. In dat jaar namelijk heeft de Heer van de Aalshorst de weg van Dalfsen naar Heino, die naar zijn zin een beetje te dicht langs zijn huis liep, een eind oostwaarts verlegd, tot aan de Dieserstraat. (Hij heeft „de weg door de Rekkelerstege na ter Heine verlegt tot aan de z.g. Dieserstrate”). De Rekkelerstege was de weg van Dalfsen naar de marke Lenthe en verder naar Heino en genoemd naar het erve het Rekkelaar in de marke Milligen. Officieel heet nu de grote, brede zandweg, die vanaf de verharde weg Dalfsen—Heino hier bij de Aalshorst oostwaarts gaat, de Diezerstraat. Het is een kaarsrecht stuk weg tot aan de z.g. Kogelvanger. Deze Kogelvanger dateert uit latere tijd en is voor de Dalfser scherpschutters opgeworpen, die hier op dit lange rechte stuk weg hun schietoefeningen hielden.

De weg buigt links om deze Kogelvanger en loopt langs het Wagteveldsbos met een grote bocht naar de straatweg Rechteren—Lemelerveld. Daar vindt men dan rechts de „Uuthook”. Het is een stukje bouwland midden in een hoge rondlopende wal. Deze wal is duidelijk door mensenhanden gemaakt, want door de natuur zou zo’n ronde stuifwal niet ontstaan kunnen. Aan de overkant van de straatweg liggen ook een paar zulke wallen, eerst lopend vanaf de straat naar het noordoosten en dan met een scherpe, bijna haakse bocht noord-westwaarts. Dat die wallen zo zouden zijn opgestoven, zou al wel heel merkwaardig zijn. De mens heeft er zeker zijn aandeel in gehad. Misschien was het eens een verdedigingsstelling, een schans of een tolgrens. Onze weg, met de straatweg, gaat er midden tussen door, zuidwaarts. Doch maar een klein eindje verder buigt er weer een brede weg van die straat af. Deze weg staat op de kaarten aangegeven als de „Zwolseweg”. Vroeger werd deze weg ook wel de „Hammerweg”, (de weg van of naar den Ham) genoemd. Over deze weg gingen nog tot het einde van de vorige eeuw de boeren van den Ham te voet naar de markt te Zwolle. Ze droegen dan een mand met eieren aan de arm en een vaatje boter met een stok over de schouder op hun rug. Deze boeren hadden zelf nog geen paarden. Als trekdier voor de ploeg gebruikten ze de koe of een os. Later kwamen er de vrachtrijders en nu is dat verkeer ook weer voorbij en ligt de weg verlaten en stil. Maar druk verkeer heeft deze weg in de vroegere eeuwen gehad. Het was dé Zwolseweg, de handelsweg van Zwolle naar Twente. We vinden de Zwolseweg in 1555 genoemd in het markenboek van Giethmen. Er was toen een schaapherder, Berent van de Nieuwe Brug genaamd. En deze herder had de gewoonte met zijn schapen door de landen van Giethmen te gaan, wat altijd weer onenigheid en twist veroorzaakte. Nu werd in 1555 besloten, dat Berent voortaan de Zwolse weg zou moeten houden om met zijn schapen naar de (Archemmer) berg te komen, zoals dat ook zijn voorvaderen gedaan hadden.

Het was dus al wel een oude gewoonte geweest en de weg en de benaming voor die weg bestond dus ook al lang voordien. Deze Zwolse weg loopt nu verder naar de Nieuwe Brug. Deze nieuwe brug is een brug over de Regge en reeds in 1391 was er deze nieuwe brug. Toen verleende n.1. Florens van Wevelinckhoven, bisschop van Utrecht, tolvrijheid te „Nijerbrugge” aan de edelen van Twente. Hier was dus een belangrijke passage. Er zal toen al wel een tolhuis gestaan hebben, dat in latere tijden geworden is tot een belangrijke pleisterplaats. Er hadden verschillende en ook belangrijke vergaderingen plaats van de Ridderschap en Steden van Overijsel. Zo b.v. kwamen er in 1499 de Bisschop met de Ridd. en St. hier samen om met elkaar de besluiten van de Rijksdag van Worms te bespreken. Bisschop Rudolf van Diepholt gaf aan de priesters en klerken van het klooster van Albergen in 1455 vrijheid van tollen en weggelden, als zij ter Nijerbrugge, gelegen in den kerspel van Ommen, moesten passeren. Dit duidt er dus op, dat de weg van Twente naar Zwolle over de Nieuwe Brug liep. Nijerbrugge lag min of meer in het midden van de provincie en er waren goede en grote wegen naar alle kanten. Naar het noorden de verbinding met Ommen en Hardenberg— Coevorden. Naar het zuiden een weg over Archem—Hellendoorn en verder zuidwaarts, aansluitend op de grote weg van Deventer naar Münster, welke door Twente liep. Naar Twente oostwaarts een weg over Den Ham— Daarle—Almelo en dan naar het westen de z.g. Zwolse weg. De weg naar Twente ging tussen Den Ham en Daarle over de Linderbeek. In deze beek was een voorde (een doorwaadbare plaats) met daarbij gelegen goed, reeds in 1321 genoemd, het Daerlevoorde. In 1397 is er een brug, de Daalrebrug (nu Dalvoorderbrug). De weg er over behoorde aan de stad Zwolle. In de nabijheid er van was vroeger een convent, Lindertehove genaamd. Het is opgericht tussen de jaren 1310 en 1320. In 1397 wordt er van gezegd, dat het lag aan „enen wech in den Ham, welcke wech gheslaghen is van Daelrebrugge over en doer onse land, die in verleden tijd placht te gaen doer onland ende der Stad van Swolle om vrenscappen gegunt is doer onse land te leggen.” Dus reeds lang voor 1397 was er deze weg, die de stad Zwolle gemaakt had en waarbij ze dus ook wel veel belang zal gehad hebben, als een voorname verbinding met Twente. Hier hebben we dus met de alleroudste „Twentse weg” te doen, die zich vanaf Nijerbrugge naar het westen voortzet als „Zwolse weg” en verder op als Diezerstraat. Wanneer deze Diezerstraat dan op de straatweg Dalfsen—Heino uitkomt in de buurt van de Aalshorst, dan gaat ze nog een eindje samen met deze straat om dan na een paar bochten rechts, als een brede zandweg weer zijn voortzetting te vinden.

Bij de Bolderbrug komt ze dan aan het Almelose kanaal, waar ze dan samen valt met de „Oude Twentse weg”, die hier over het kanaal gaat. *) Deze Oude Twentse weg is ook een verbindingsweg van Zwolle met Twente geweest. En verloor haar betekenis pas, toen de z.g. „heerweg”, de straatweg van Zwolle over Heino en Raalte, werd aangelegd. Deze Oude Twentse weg was ook alleen een weg, die de stad Zwolle aanging en die ook door Zwolle werd onderhouden. In 1778 probeerde Zwolle de aan de weg liggende buurtschappen: Lenthe, Raalderwoold en Luttenberg, in dat onderhoud te betrekken. Maar, zo lezen we in het Lenther markeboek, de marke Lenthe had zich nog nooit met de weg bemoeid en ze rekende zich ook niet verplicht deze weg te onderhouden en op te maken voor zo ver ze door en over haar grondgebied liep. Zwolle moest deze Twentseweg onderhouden en we mogen ook wel aannemen, dat de stad eveneens het onderhoud van de Diezerstraat—Zwolseweg— Twentse weg had. Zwolle toch heeft de weg over de Daalrebrugge aangelegd (geslagen door onland, gehakt door woeste grond, zoals het daar heet), en moest toch zeker de verbindingswegen daar naar toe ook wel onderhouden. De Diezerstraat—Zwolse weg is ook niet van plaatselijke betekenis, hij loopt hoofdzakelijk door woeste gronden en langs de grenzen der marken. De Bolderbrug heeft nu nog maar betekenis voor het plaatselijk verkeer. Maar vroeger was het een knooppunt van belangrijke wegen. De bovengenoemde Twentse weg ging hier over de Steenwetering, nu het Almelose kanaal. Dan de weg van Dalfsen naar Heino over de Gunne (een buitenplaats). De harde weg van Dalfsen naar Heino gaat nu over de Kluunhaarsbrug. In 1745 was er nog een„verlaat” (kleine schutsluis) bij de Kluinhaar en pas in 1773 is er sprake van de Kluinhaarsbrugge. Bij de Ganzepan, waar nu de grote verkeersbrug over het kanaal ligt in de weg Zwolle—Heino—Almelo, lag nog in 1779 een vonder over de Steenwetering. Het graven van het Almelose kanaal heeft hier dus wel heel wat veranderingen gebracht. Vanaf de Bolderbrug gaat de Twentse weg nu gezamenlijk met onze Diezerstraat verder westwaarts. Even voor deze de grote straatweg bereikt, buigt de Oude Twentseweg met een haakse bocht naar het noorden, in de richting van en naar Wijthmen en zo verder naar Zwolle. Van Zwolle uit ging dus de Oude Twentse weg en de Zwolse weg (Diezerstraat) als handelsweg naar Twente. En naarmate de stad Zwolle in grootte toenam, werden deze wegen belangrijker. Maar de Diezerstraat had als koningstraat toen zijn betekenis reeds verloren en we vinden vanaf de boerderij de Ierte zuidwaarts naar Olst dan ook moeilijk een verbinding. Maar het deel van de weg waar de stad Zwolle zijn machtige en beschermende hand over uitstrekte, bleef nog lang behouden en in stand. Totdat het ook nu tenslotte in de vergetelheid is geraakt. Wat de oorzaak er van geweest is, dat deze weg verlaten is, is moeilijk na te gaan. De Oude Twentse weg naar Almelo was wel wat korter, deze laatste kwam in onbruik door de aanleg van de straatweg over Heino—Raalte. Dan heeft de Hessenweg aan de noordzijde van de Vecht ook veel verkeer tot zich getrokken, vooral toen ook deze Hessenweg verhard werd. De Hessenweg gaat van Zwolle naar Hardenberg en laat de plaatsen Dalfsen en Ommen geheel liggen. Hierover kwamen de Duitse kooplieden van uit het Oosten met hun z.g. Hessenwagens naar Zwolle. De tijd van de roofridders is toch ook voorbij. In de Middeleeuwen was dat anders. Toen trokken deze heren er op uit, om in wijde omtrek te roven en te plunderen.

Ze vielen de kooplieden lastig, die van en naar Zwolle trokken, en maakten de gehele buurt onveilig. Dat waren de roofnesten van Voorst, Rechteren en Eerde, die in de onmiddellijke omgeving van de Diezerstraat— Zwolseweg hun versterkte burchten hadden. Het is dan ook in het geheel niet onmogelijk, dat tóen deze weg een tijdlang gemeden werd en dat de beide andere wegen meer in gebruik zijn gekomen. Deze toch lieten Eerde, Rechteren en Voorst op veilige afstand liggen. Tegen het einde der 14e eeuw kwam er weer wat rust in deze streken. De Bisschop van Utrecht, geholpen door de steden, wist de macht van de edelen te breken. Het kasteel Voorst werd met de grond gelijk gemaakt en nooit weer opgebouwd. Waar het gestaan heeft, is niet te zeggen. Het moet ten westen van Dalfsen gelegen hebben. Rechteren was bijtijds goede vrienden met de bisschop geworden en daaraan hebben we het allicht te danken, dat het prachtige kasteel er nog is. Het kasteel Eerde werd in 1380 belegerd, ingenomen en verbrand. Maar later werd het toch weer herbouwd. Een derde mogelijkheid voor het verlaten van de weg zou kunnen gelegen hebben in het stuifzand, waarlangs de weg gaat. Deze stuifzand-terreinen namen steeds meer en meer toe. Vooral met het stuifzand van het Rechteren se veld heeft men heel wat te kampen gehad. Het bedreigde de bouwlanden en toen moest men wel ingrijpen. Men probeerde het met verschillende middelen: het beleggen vaïi het zand met plaggen, met takkebossen en met „sticken”, zoals dat in de Markeboeken wordt medegedeeld. (In 1556 was er reeds sprake van het bestikken in de Leusenermarke). Dat „bestikken” ging aldus. Er werd een lange rij lage stekken, stikken, paaltjes, geplaatst. Deze paaltjes hielden het zand tegen en legden het dus vast. Op deze rij kwam dan weer een nieuwe rij stikken en was deze weer overstoven, dan weer hierboven op. Zo ontstond dus een hele hoogte en zo worden ook de lange wallen verklaard, die men vindt in het Rechterense- en Millingerveld, tussen Diezerstraat en het Dalmsholt, weerszijden b.v. van het Sterrebos en die men nu nog de „Stikke” en de „Hoge Stikke” noemt. Ook de Moesenbelt kan zo ontstaan zijn en de wallen bij de „Uithook”. Men heeft succes gehad. Het stuifzand is grotendeels bedwongen en in het Rechterse veld is er nog maar één „zandstoeve” meer. De stuifbelten zijn alle begroeid met heide en dennen en sommige, en dat zijn de oudsten, met eikenhakhout. Zo zijn deze woeste, ontoegankelijke velden nu verdwenen en tot prachtige bossen geworden. Het Dalmsholt is droog gemaakt en bewoonbaar. Bij Vilsteren zijn grote stukken heide ontgonnen en tot vruchtbaar land herschapen. Talrijke boerenwoningen zijn er nieuw gebouwd en ook vele nieuw herbouwd, n.1. die, welke met de bevrijding van deze streek in vlammen waren opgegaan. Zo is er veel van het oude verdwenen en zal ook spoedig vergeten zijn. Wie nog weet er te vertellen van de dwaallichtjes, die er een tachtig jaar geleden nog zo veelvuldig rondzweefden in het Dalmsholt en waarvan men later gezegd heeft, dat het „voorgezichten” zouden zijn geweest van de talrijke fietslichtjes, die men nu in déze tijd in het donker te zien krijgt. En wie weet te verhalen van de „Witte Wieven”, die er toch vroeger op de „Heidenbelt” gedanst zullen hebben? De belt is afgegraven en de naam van een nieuwe boerderij zal de herinnering bewaren aan deze verdwenen juffers. Verdwenen zijn ook de grote kudden schapen, die hier vroeger gehouden werden. Een enkele kudde ziet men met zijn scheper nog wel rondtrekken in het Lemelerveld en Dalmsholte. En hier en daar kan men nog een oude, op invallen staande schaapskooi aantreffen. Ook hier is het de naam van een nieuwe boerderij, die de herinnering aan deze verdwenen glorie moet wakker houden. Zo is er dus de laatste j aren wel veel vernieuwing gekomen in deze streken. Maar ook met dat al blijft het een enig stukje natuur, een mooi landschap, zoals men maar zelden meer aantreft. Een bezoek overwaard.

Foto's 7
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Een vergeten hoekje van Salland - Foto: Ingezonden foto
Foto: Ingezonden foto
Artikel delen: