Column lenze l.
Â
Wees lief voor een inbreker!
Â
Het is laat in de avond .
Er komt een onbekende langs, hij heeft een loper en komt binnen.
Ik zit tv te kijken en hij gebiedt me stil te blijven zitten, want anders âŠ
âGoede avondâ, zeg ik, âga erbij zitten.â
âZittenâ, zegt hij, ga jij er maar bij liggen!â En hij dreigt met iets wat niet lijkt op een waterpistool.
âLiggenâ, zeg ik , âmaar man het is nog geen bedtijd. Ik heet je hartelijk welkom en zeg maar wat je nodig hebt om te blijven leven. Je mag alles hebben, zelfs de aflossing van mijn hypotheekschuldâ
âLiggenâ , zegt hij.
â U weet wat minister Teeven heeft gezegd? â
âLiggenâ, schreeuwt hij nu en hij pakt een touw.
âWacht evenâ, zeg ik kalm , âu weet misschien niet dat ik foetsie foetsie heb geleerd op de politieschool? â
Ik zie hem aarzelen.
âOkĂ© â, zeg ik, âwe maken een deal. Jij gooit die revolver in de prullenbak en je krijgt mijn pasje met geheime pin code mee. Geld heb ik niet.
 Ken je trouwens die mop van die man die â misschien wel door jou- in de binnenstad van Zwolle werd aangehouden? Die edele heer zei: je geld of je leven! Nou, zegt die man, ik heb geen geld. Neem dan maar mijn leven. Wat doe je voor de kost, zei de overvaller. Ik ben leraar, zei hij. O. loop dan maar door, want dan heb je geen leven!.
Â
En toen werd ik wakker, in de stoel voor de teevee.Â
Â
lenze l.
Â
Â