“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim

“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week

LENTHE – “De Stoom”, een naam en een begrip in Hoonhorst; een bijnaam die de gebroeders Van der Vechte hadden. Naar verhalen van oudere inwoners was deze afkomstig van hun vader die erom bekend stond dat hij er altijd de gang in had, geen rust had, zogezegd altijd onder stoom stond, of zo als sommigen zeiden: “stoom in de broek had”.

 

Anderen beweren dat het kwam omdat vader Van der Vechte pijp rookte en hoe drukker hij was, hoe harder hij rookte. Alsof hij onder stoom stond. En nog weer anderen beweerden dat zij hun bijnaam te danken hadden aan het feit dat zij altijd met machines in de weer waren en die stoomden ook wel eens.

De vader, Anthonie van der Vechte, geboren te Hoonhorst op 23-11-1871, overleed te Hoonhorst op 12-03-1963 na een strenge winter. Dat betekende dat de lijkwagen niet aan huis kon komen en hij met paard en wagen vervoerd moest worden naar Hoonhorst. Er lag ruim 1 meter sneeuw in de Tibbensteeg, het had erg hard gevroren de afgelopen periode en net enkele dagen voor zijn overlijden was de dooi ingevallen.

Hij werkte voor bakker Fakkert als broodbezorger en later bij molenaar Fakkert, beiden in Hoonhorst. Hij was gehuwd met Antonia van der Beld, geboren op 14-03-1873 en overleden te Hoonhorst op 29-02-1948. Beiden liggen begraven op het R.K. kerkhof van Hoonhorst. Het echtpaar woonde op hun boerderij “De Tibben”, een boerenerf in de buurtschap Slendebroek onder Hoonhorst in de gemeente Dalfsen, waar zij ook het boerenbedrijf uitoefenden samen met hun zonen.  Hun drie zonen zijn ongehuwd gebleven en in hun geboortehuis blijven wonen.
Het was een familie waar het goed toeven was en waar altijd mensen over de vloer kwamen. Rond Palmpasen kon iedereen palmtakken (buxus) krijgen die nergens zo groeiden als hier. Op oudejaarsnacht kwamen alle buren langs en soms werd er zelfs binnen vuurwerk afgestoken tot groot genoegen van de bewoners. Er werd dan een glaasje genuttigd, maar niet teveel.
Men had de keus uit een schilletje, anisette of een citroentje; bier was onbekend.

Voor de jeugd uit Hoonhorst was deze plek natuurlijk een prachtige omgeving: er was altijd wat te doen en zij mochten altijd helpen, ook met de machines. Het was o.a. Geert Veneboer die zijn jeugd grotendeels daar heeft doorgebracht en er veel werk heeft verzet. Of dat altijd verantwoord was, mag men zich afvragen, maar er zijn nooit ernstige ongelukken gebeurd.

Na het overlijden van moeder Antonia waren de werkzaamheden in en rond hun huis verdeeld, maar toch ook weer niet al te precies. Ieder had zo zijn eigen werk: “Oaln Stoompie”, zoals de vader ook wel genoemd werd, kookte op een fornuis dat zomer en winter brandde en floot op een fluitje als het eten klaar was. Hij floot ook ’s morgens voor de thee. Koffie leerden zij pas veel later kennen; de koffiepot stond van ‘s morgens tot ’s avonds te pruttelen. Melk dronken zij veel, maar van gekookte melk hadden zij nog nooit gehoord.

Zondags kookte Gerrit, maar dan wel voor de maandag er bij. Van dat koken moet men zich niet te veel voorstellen; het was doorgaans zeer eenvoudige kost. Dat Gerrit zondags kookte, kwam omdat zijn vader collectant in de kerk was en tijdens de vroegmis en de late mis collecteerde. Vaak deed hij dat alleen. Dat betekende dat hij tweemaal met de schaal en eenmaal met de ‘buul’ rond ging. Het was ‘anpoten’, zoals hij steeds vertelde en hij hoopte dat de pastoor niet zo’n haast zou maken zodat hij zijn rondes af kon maken. Vaak lag hij tijdens de consecratie op de knieën in het middenpad omdat hij nog niet klaar was. Tussen de diensten door ging hij naar de familie Stigt om daar zijn meegebrachte boterhammen op te eten. Op zijn damesfiets reed hij ook naar het lof.

Gerrit ging naar de vroegmis, netjes gekleed met stropdas, en ging daarna eten koken. Thuis liep hij er heel wat minder netjes bij. Gradus ging in zijn zogenaamde waterdicht vestje, van boven af toe dicht geknoopt, naar de late mis en naar het lof. Gradus was het heertje: hij liep er altijd netter bij dan zijn broer.

Gerrit was de veehandelaar: hij verhandelde hun eigen vee op de veemarkt in Zwolle, waar hij dan ook steevast elke vrijdag te vinden was. Ook verkocht hij meestal het vee van Anna Mol, een alleenstaande vrouw uit de buurt. Gradus had zijn hond, zorgde voor de machinerieën en voerde zijn ideeën technisch uit. Zij waren het die als een van de eerste in de wijde omgeving zich een tractor hadden aangeschaft, een Fordson met ijzeren wielen, waaraan schoepen zaten om niet in het zand vast te komen zitten. Zij hebben bij menigeen in de verre omtrek werkzaamheden verricht. Zandwegen waren na de oorlog nog volop aanwezig in het buitengebied.

Later kwam er een Lanz-Buldog met rubber banden die, als de motor eenmaal liep, de hele dag aan bleef staan omdat het een hele toer was om hem te starten. Het stuurwiel moest er af om daarmee het grote vliegwiel opzij van de tractor in beweging te krijgen. Met propaangas werd de machine voor gegloeid, met een kannetje benzine werd hij tenslotte op gang gebracht om vervolgens de hele dag op petroleum verder te lopen met zijn kenmerkende geluid. Was het een buurjongen die mocht starten dan had die een houtblok nodig om overal bij te kunnen. Als hij eenmaal op gang was, kon die tractor een ongekende kracht tot ontwikkeling brengen.

Zij waren voor hun tijd bijzonder vooruitstrevend; Gradus was technisch zeer bekwaam. Gerrit was meer voor het ruwe werk. Toch hadden zij slechts lagere school, maar hadden zij zich ontwikkeld door zelfstudie en zij beschikten over een flinke dosis doorzettingsvermogen.

Het knetterde en ronkte altijd op hun erf en er was geen machine die onder hun handen stil bleef; zij kregen altijd alles aan de praat. Zelf bedachten zij ook allerlei constructies om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Houtzagen, takelen met hun zelf ontworpen lier, dorsen en hakselen waren o.a. werkzaamheden waar zij met plezier voor langs kwamen. Hakselen gebeurde meestal ’s winters; dan stond de hakselmachine binnen en de tractor buiten, terwijl de drijfriem door de deur geleid werd om de kou enigszins buiten te houden. Men kan zeggen dat zij een soort loonbedrijf hadden voordat dat woord ingeburgerd was. Nu was het niet zo dat hun dat veel opbracht; veel geld zijn zij er bij ingeschoten omdat hun administratie net zo’n chaos was als hun huis en erf en er gebruik of misbruik is gemaakt van hun goedheid.

Gradus had zelf een lier ontwikkeld waarmee hij overal takelklussen kon uitvoeren. Heel veel hooibergen zijn door hen in de wijde omgeving verplaatst. Ook had hijzelf een gierpomp uitgedacht waarmee hij met een katrol, een kabel en een tractor die op en neer reed d.m.v. een zuiger enorme hoeveelheden in korte tijd kon verpompen.

Geert Veneboer, als jochie, hielp hem daar eens mee. Op een teken van Gradus reed hij met de tractor voor- of achteruit. Geert begreep op een gegeven moment Gradus even niet en reed achteruit terwijl hij stil moest blijven staan. Gradus moest even controleren of de werking nog klopte. Nu dat klopte: hij kreeg de volle lading over zich heen en enkel aan het wit van zijn ogen kon je zien waar Gradus stond.

Elektriciteit hadden zij vanaf het begin, maar water haalden zij uit de pomp. Gas kregen zij veel later als butagas. Telefoon kregen zij ook veel later. Hadden zij ooit een veearts nodig dan gingen zij vaak midden in de nacht op de fiets naar het dorp. Later gingen zij naar de buren om te bellen toen die al wel een telefoon hadden. Een huisarts hadden zij zelden nodig; zij vroegen meestal aan de buren om hulp als hun vader het benauwd had.

Vreemd genoeg schaften zij zich wel allerlei ‘nieuw-moodse’ dingen aan, maar lieten het soms wel een jaar staan voor zij het in gebruik namen.

Buiten de genoemde werkzaamheden handelde Gerrit in alles waar hij maar dacht geld mee te kunnen verdienen. Hij schroomde niet om in de Rotterdamse haven grote partijen scheepsplanken op te kopen of spoorbielzen in Zwolle om die vervolgens, nadat hij ze had laten afleveren in Hoonhorst, te verzagen en weer door te verkopen. Ook zaagden zij voor de spoorwegen bielzen door waar dan o.a. stootblokken van gemaakt werden.

Dat zagen van bielzen was niet helemaal ongevaarlijk: je kon zomaar grint of een verdwaalde bout tegenkomen. Dan was er een ongekende vonkenregen te zien waarbij de zaag het begaf. Daar werd dan ook rekening mee gehouden: ’s morgens ging Gerrit op pad, vaak vergezeld door een of meer buurjongens die mochten helpen, met extra zagen die ’s avonds dan weer door Gradus werden geslepen.

Niet dat zij alles verkochten want in de loop van de jaren stapelden de goederen zich op hun erf wel erg hoog op en kon je van alles tegen komen.

Hun vrijheid was hun leven; zij begonnen meestal laat met werken, maar hielden ook altijd laat op. Als anderen ophielden, waren zij nog bezig. Dat was kenmerkend: zij waren met alles te laat. Ook als zij voor anderen werkzaamheden moesten verrichten, waren zij te laat maar altijd voor het eten in de buurt, zodat dat in ieder geval verdiend was. Maar zij maakten hun werk altijd af.

Die vrijheid hielden zij in stand, evenals hun bijnaam waar zij trots op waren. Dat ondervond ook een mevrouw uit Hoonhorst die eens in het ziekenhuis De Weezenlanden was en daar Gradus tegenkwam die herstellende was van een gebroken heup. Zij was nog niet zo lang woonachtig in het dorp en vroeg aan Gradus of hij Van der Vechte was, waarop hij antwoordde: “Det bink wel, maor  zeg maor Stoom, zo kent ze mie better op ’n Hoonhorst”. De broers waren erg gezien in Hoonhorst en verrichtten ook werkzaamheden voor het algemeen belang.

Zij hebben heel veel werk verricht bij de afbraak van de oude versleten kerk van Hoonhorst. Het omhalen van de kerktoren, eind september 1964, was voor het hele dorp een belevenis. Het was op vrijdag niet gelukt dus werd er zaterdag nog eens geprobeerd de toren van de kerk te trekken. Twee tractoren waren er nodig van de gebroeders Stoom, oude tractoren met een groot vliegwiel die een ongekende kracht konden ontwikkelen. Wel duizend mensen hebben het zien en horen gebeuren, de een met een lach en de ander met een traan bij het onvermijdelijk neerhalen van hun eens zo trotse kerktoren.

Hun boerderij was aan het eind van de oorlog door de terugtrekkende Duitse soldaten in brand geschoten. Op 13 april 1945 werd Hoonhorst bevrijd, op 12 april hadden de Duitsers nog veel zinloos vernield, waaronder hun boerderij. De twee broers hebben met gevaar voor eigen leven, terwijl de boerderij in vuur en vlam stond, nog een gedeelte van hun vee kunnen redden door op hun knieën naar binnen te kruipen en de touwen door te snijden waar het vee mee vast stond in de stal zodat veel koeien naar buiten konden komen, weg uit de vuurzee.

De 13e april kwamen de Canadezen voorzichtig vanaf de Marshoek richting Koelmansstraat in de buurtschap Lenthe en werden daar door de bewoners verwelkomd. Die konden ook vertellen dat de Duitsers waren teruggetrokken, terwijl op de achtergrond de boerderij van Van der Vechte nog na smeulde. In de buurtschap Lenthe, waar ook de zusters Lauers (Kris) woonden, had men de vorige nacht ook veel benauwde ogenblikken doorgemaakt. De zussen waren met hun hond naar de buren gevlucht en samen met hen hadden zij hun toevlucht gezocht in een geïmproviseerde schuilkelder die, als men er aan terug denkt, die naam eigenlijk niet mocht hebben. Zij hebben het er met elkaar goed van af gebracht.

Op 14 april 1945 is vervolgens Zwolle bevrijd. De boerderij was dan wel afgebrand, maar de schuur was behouden gebleven en heeft nog vele jaren als tijdelijk onderkomen gediend. Van die schuur hadden zij provisorisch een woonhuis gemaakt; de ouders en Gerrit sliepen waar eens de varkens lagen en Gradus sliep achterin de schuur in een opkamertje op de hilde. Een toilet was er toen niet: hun behoefte deden zij achter de palmheg waar menigeen met Palmpasen takken van kreeg.

In de jaren 50 is de boerderij weer opgebouwd met een betonnen zoldering, typerend voor die tijd, en werd er ook een toilet aangebracht. Samen met hun vader hebben de broers de draad weer opgepakt.

Voor hun tijd hadden zij een redelijk grote veestapel: 12 koeien molken zij. Alle melk werd in de begintijd met een juk afgevoerd. Later schaften zij zich een melkmachine aan die overigens de eerste tijd werkloos stond. Kippen liepen ook altijd vrij rondom hun huis, evenals katten en ondanks deze laatste dieren stikte het van de ratten en de muizen. Erg precies ging het er niet toe in deze mannenhuishouding en de klompen hoefde je bij het betreden van hun woning dan ook niet uit te doen. Sterker nog, het was zelfs niet verstandig om ze uit te doen. Vloerbedekking was onbekend, de vloer bestond uit een eens rode portlander vloer. Oaln Stoompie ging zo nu en dan eens met een rijsbezem door het huis. Eens per jaar slachtten zij een vette motte. In het voorjaar werd er een varken uitgezocht dat werd vetgemest vanaf april / mei om in het najaar geslacht te worden. Het hele varken werd “gepekkeld” en werd in stukken aan de zolder gehangen. Bloedworst, balkenbrij en worst werd volop gemaakt en opgeborgen in een ijzeren kast op de deel. Zij bewaarden die worst wel erg lang zodat er soms aanslag op was gekomen, maar dat was geen probleem. Met een mes werd het er af geschraapt en de katten aten dat afval op. Na het overlijden van zijn broer Gerrit, die kookte, was Gradus afhankelijk van iedereen; koken kon hij met geen mogelijkheid. Hij heeft dankbaar gebruik gemaakt van de hulp van de buren, familie Veneboer, en heeft daar bijna 13 jaar, tot zijn overlijden, vrijwel dagelijks gegeten en ook deed de buurvrouw voor hem de was.

 

Enkele familiegegevens:

Willem van der Vechte, geboren te Hoonhorst op 16-06-1912 en overleden na zijn militaire diensttijd aan geelzucht, te Hoonhorst op 17-05-1937, bijna 25 jaar oud,

Gerrit van der Vechte, geboren te Hoonhorst op 25-11-1904 en overleden te Hoonhorst op 11-11-1980, bijna 76 jaar oud,

 

Gradus van der Vechte, geboren op 02-02-1908 te Hoonhorst en plotseling overleden te Coevorden op 02-07-0993, 85 jaar oud (hij was onverwacht naar Coevorden vertrokken na herstel van zijn gebroken heup), alle drie zijn zij begraven op het R.K. kerkhof te Hoonhorst met als trotse tekst “De Stoom” op de grafsteen van Gerrit en Gradus.

 

Er zijn nog inwoners van Hoonhorst die beweren dat als zij langs de Stoom komen zij nog horen roepen: “Foi foi foi”, het kenmerkende stopwoord van Gradus.
Hun boerderij en erf is later verkocht aan de voetballer René Eijkelkamp die hier, na een verbouwing, er is gaan wonen na zijn voetbalcarrière.

Tot zover “stoom” met dank aan Omheining Heino en A Heijmerikx en Hist. Kring Dalfsen

Bron: Omheining Heino, geschreven door Anton G.M. Heijmerikx.

WvdV

Artikel delen:
Foto's 9
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim
“De Stoom” vervolg van het Dalfsennetmagazine deze week - Foto: Wim
Foto: Wim